VITABERNA

 

 


Pastoraal atelier

Levoland 

Relimarkt

Bronnenmagazijn

 

VAN BALTHASAR TOT SUSKEWIET
over Driekoningen in kunst en folklore
 

Caspar, Melchior en Balthasar: namen die ons direct aan de Drie Koningen herinneren. De evangelist MatteŁs (2, 1-12) spreekt echter alleen over 'Wijzen' uit het oosten. Hij vermeldt geen datum of land van afkomst, zegt niets over de tijdsduur van hun reis, noemt geen namen en geen aantal; maar al op de oudste voorstellingen worden zij als een groepje van drie afgebeeld. Dat zij Koningen zouden zijn geweest, staat al evenmin in het evangelie. Ze werden Wijzen en sterrenkundigen genoemd, maar vanaf de zesde eeuw heeft men het steeds vaker over de Drie Koningen. Dit artikel wil een impressie geven van de manier waarop in de afgelopen eeuwen 'Driekoningen' in kunst en folklore vorm en aanzien hebben gekregen.

Het bezoek van de wijzen
Driekoningen in de kunst
Driekoningen in de folklore

1 HET BEZOEK VAN DE WIJZEN  

1 Toen dan Jezus te Betlehem in Juda geboren was ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem Wijzen uit het oosten 2 en vroegen: "Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen." 3 Toen koning Herodes dit hoorde, werd hij verontrust en heel Jeruzalem met hem. 4 Hij riep alle hogepriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en legde hun de vraag voor, waar de Christus moest geboren worden. 5 Zij antwoordden hem: "Te Betlehem in Juda. Zo immers staat er geschreven bij de profeet: 6 En gij, Betlehem, landstreek van Juda, gij zijt volstrekt niet de geringste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman te voorschijn treden, die herder zal zijn over mijn volk IsraŽl."  7 Toen ontbood Herodes in het geheim de Wijzen en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. 8 Daarop zond hij hen naar Betlehem met de opdracht: "Gaat een zorgvuldig onderzoek instellen naar dat Kind, en wanneer gij het gevonden hebt, bericht het mij dan, opdat ook ik het hulde kan gaan brengen." 9 Na de koning aanhoord te hebben vertrokken zij. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden, ging voor hen uit totdat ze boven de plaats waar het Kind zich bevond stil bleef staan. 10 Op het zien van de ster werden zij vervuld van overgrote vreugde. 11 Zij gingen het huis binnen, zagen er het Kind met zijn moeder Maria en op hun knieŽn neervallend betuigden zij het hun hulde. Zij haalden hun schatten te voorschijn en boden het geschenken aan: goud, wierook en mirre. 12 En in een droom van Godswege gewaarschuwd niet meer naar Herodes terug te keren, vertrokken zij langs een andere weg naar hun land. (MatteŁs 2, 1-12)

1.1 De loop der gebeurtenissen
Betlehem, 2000 jaar geleden: een klein dorpje in een bergachtig gebied in het zuiden van IsraŽl. Geografisch gezien lag Betlehem op het snijvlak van de drie toen bekende werelddelen: Europa, AziŽ en Afrika. De hoofdstraat vol keutels van juist gepasseerde schapen en ezels. Huizen die vaak niet meer licht kregen dan de ruimte van de deuropening. Asfalt en beton als wegverharding waren nog onbekend. Vervoer bestond bij de gratie van ezels, olifanten, paarden en kamelen.

Van telecommunicatie had men nog nooit gehoord. Het bericht van de geboorte van een nieuwe koning brengt dan ook grote verwarring teweeg bij koning Herodes. De geboorte van een nieuwe koning vormt immers een regelrechte bedreiging voor hemzelf. Het antwoord van de hogepriesters en schriftgeleerden op de vraag, waar de nieuwe koning dan wel geboren zou moeten zijn, maakt hem in hoge mate ongerust. Geen wonder dus, dat hij zich in het geheim ook nog laat adviseren door sterrenwichelaars: mensen die hoog in aanzien stonden en met wier adviezen rekening moest worden gehouden. Herodes zendt de Wijzen onverwijld naar Betlehem, "om een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar dat Kind ... opdat ook ik het hulde kan gaan brengen."

Het verdere verloop van het verhaal is bekend. In een uiterst armetierig onderkomen, ver van huis vanwege de volkstelling, wachten Maria en Jozef op de dingen die komen gaan. De herders zijn - zo meldt ons Lucas - al even langs geweest: uiteindelijk wordt er niet iedere dag een kind in een stal geboren en ze zijn al evenmin gewend door engelen aangesproken te worden. Hun bezoek wordt gevolgd door de komst van de Wijzen, die de ster achterna zijn gegaan totdat deze bleef stilstaan boven de plaats waar het kind is geboren. Daar vallen ze op hun knieŽn en bieden hun geschenken aan het kind aan: goud, wierook en mirre. Gewaarschuwd om langs een andere weg dan ze gekomen zijn terug te keren, aanvaarden ze de reis naar huis.  

1.2 Mondiale vormgeving
Afhankelijk van waar mensen wonen, verschilt de manier waarop het kersttafereel en de aanbidding van de Drie Koningen wordt vormgegeven. Wij zijn gewend aan westerse beelden (afb. 1), maar in Afrika is Maria vanzelfsprekend een zwarte vrouw, in Mexico een Mexicaanse. Een Indonesische stal is opgebouwd uit bamboestokken (afb. 2) en op HaÔtiaanse voorstellingen vinden we cactussen in plaats van dennebomen (afb. 3). Iedere cultuur heeft zijn eigen uitdrukkingsvormen om het kerstgebeuren uit te beelden (afb. 4).
De aanbidding der Wijzen ('Driekoningen') heeft kunstenaars uit vele landen en tijden geÔnspireerd. De Drie Koningen werden uit steen gehouwen (afb. 5), uit hout gesneden (afb. 6), draadje voor draadje tot een gobelin verweven (afb. 7), in glas-in-lood gevat (afb. 8), als miniatuur in boeken afgebeeld (afb. 9 en 10) of uit metaal vervaardigd (afb. 11). Ook op tegels, postzegels, prentjes enzovoort zijn de Drie Koningen in vele varianten terug te vinden.
Hoe eenvoudig kleding en uitmonstering van de Drie Koningen moge zijn, ťťn ding hebben ze op vrijwel alle afbeeldingen gemeen: ze brachten allen geschenken mee. Goud, wierook en mirre (een geurend kruid dat gebruikt werd bij het balsemen van overledenen) als symbool voor koningschap, goddelijkheid en menselijkheid. Of wellicht, zoals Rudolf Steiner zegt: goud, wierook en mirre vanuit hun denken, voelen en willen.

2 DRIEKONINGEN IN DE KUNST

2.1 Wijzen uit het Oosten
Veel van de legenden over de Drie Koningen zoals wij die kennen, vinden hun oorsprong in het Arabisch evangelie: de Spelunca Thesaurorum, waarschijnlijk geschreven in de zesde eeuw. De verhalen zijn vele malen vertaald, bewerkt en uitgebreid met nieuwe elementen. De Koningen worden magiŽrs, sterrenkundigen, tovenaars, geleerden, herauten.
De eerste grote christelijke auteur Tertullianus zinspeelde - onder verwijzing naar Psalm 72, 10-11 - reeds op het feit, dat de Wijzen over wie MatteŁs sprak Koningen waren: 

De vorsten van Tarsis, het kustland, zij komen geschenken hem brengen,
de Koningen van Sjeba en Seba, zij dragen hun schatting hem aan: alle heersers brengen hem hulde, alle volken zijn hem onderhorig.
Een andere theoloog uit de vroeg-christelijke tijd, Origines, vermeldt als eerste een drietal Wijzen; hun aantal leidde hij af uit het aantal offergaven: goud, wierook en mirre. Paus Leo de Grote (440-461) nam deze suggestie over en sindsdien is dit aantal traditie geworden. Chrysostomos, patriarch van Constantinopel, bepaalde het aantal magiŽrs echter op twaalf, terwijl de historicus Epiphanius zelfs spreekt van vijftien oosterse Wijzen.
Op de oudste afbeelding van de Drie Koningen in de catacomben van de Priscilla in Rome zien we slechts twee Wijzen; in de catacomben van Domitilla staan op een fresco weer vier Wijzen afgebeeld. Op een vaas in het Kircher Museum prijken acht Koningen en Friedrich Gottlieb Klopstock laat in zijn messiade en lyrische gezangen zes Koningen de ster volgen. 

Op een detail van een mozaÔek in de San' Apollinare Nuovo te Ravenna (6e eeuw) gaat het weer duidelijk om drie personen, vertrekkend van de havenplaats Classe (afb. 12). Hiermee werd de stellingname van paus Leo de Grote gevolgd. Het bijzondere van dit mozaÔek is de hoofdtooi van de Koningen. In de Byzantijnse kunst worden Koningen en Wijzen meestal afgebeeld met Frygische mutsen: rode, kegelvormige mutsen met naar voren omgebogen punten. Een in de oudheid veel gedragen hoofddeksel, bij de Romeinen het zinnebeeld van de vrijheid. Soortgelijke mutsen zijn ook te zien op een 5e eeuwse deur in de Basilica di S. Sabina te Rome (afb. 13).  

2.2 'Heilige' Drie Koningen
De Koningen waren dan wel Koningen, maar van 'heidense' afkomst. Het duurt nog zeker tot de twaalfde eeuw, vooraleer men van de 'heilige' Drie Koningen spreekt. In die tijd wordt ook hun afstammelingschap herleid tot de bijbelse figuren Sem, Cham en Jafeth.
Op een afbeelding in het Libro d'Ore ziet we straaltjes om het hoofd van het kind, terwijl ook Maria wordt afgebeeld met een stralenkrans (afb. 14). De Koningen zijn op deze afbeelding nauwelijks als 'heilig' te herkennen. In schril contrast hiermee staat bijvoorbeeld een schildering van een kunstenaar die zijn Drie Koningen vorm gaf op het hoofdaltaar in Matejovce (TsjechiŽ/Slowakije): de 'heiligheid' van de Koningen wordt extra benadrukt door de stralenkransen om de hoofden van de Koningen (afb. 15; zie ook afb. 7, afb. 24 en afb. 25).  

2.3 Zwarte, blanke en gele Koningen
Hoewel door MatteŁs geen namen werden gegeven aan de drie Wijzen, hebben ze in de loop der eeuwen wel vele namen gekregen. Uit de geschiedenis is een aantal 'drietallen' bekend: Appelis, Amerus en Damascus; Magelach, Galgalath en Sarazťn of Ator, Sator en Perator.
Rond 700 n. Chr. heeft de Engelse benedictijnermonnik Beda (bijgenaamd 'de eerbiedwaardige') de namen Caspar, Melchior en Balthasar gebruikt. Namen die sindsdien zijn gebleven, en die bijvoorbeeld te vinden zijn op het dertiende eeuwse altaar van Mosoll/Cerdana (afb. 16).
Aanvankelijk komt men in de beeldende kunst slechts Koningen tegen van gelijke huidskleur en van dezelfde leeftijd. De eerder genoemde monnik Beda dacht daar anders over en verbond aan de Koningen de leeftijd van de jeugd, de mannelijkheid en de grijsheid. De eerste Koning wordt dan ook dikwijls voorgesteld als een baardeloze jongeling, de tweede als een man op rijpere leeftijd met een kort baardje en de derde als een oude man met lange baard. Tevens stelde de monnik Beda, dat zij afkomstig moesten zijn uit Europa, Afrika en AziŽ: de drie werelddelen die op dat moment bekend waren. Caspar - volgens middeleeuwse opvattingen 20 jaar oud - zou afkomstig zijn van het eiland Egryscilla, Melchior met zijn 60 jaar zou uit ArabiŽ komen en de 40-jarige Balthasar uit Seba.
De Koningen werden dus voorzien van een afkomst en kregen daardoor ook huidskleuren. Daarom is het niet vreemd, dat ťťn van de Drie Koningen een zwarte Koning werd (afb. 17), vaak afgebeeld als de jongste van het stel (afb. 18). De oude grijsaard wordt vaak vereenzelvigd met de blanke Koning, meestal afkomstig uit Europa; de Koning 'van middelbare leeftijd' laat men uit AziŽ komen.
Dat deze typeringen vaak niet opgaan (en dat geldt in het bijzonder voor Afrikaanse, Latijnsamerikaanse en Aziatische landen), bewijst bijvoorbeeld een Nigeriaanse Driekoningen-groep: eerder een verbeelding van hýn mensenras dan een ondersteuning van jong-middelbaar-oud (afb. 19). Hoe dan ook: het is duidelijk dat de Koningen - verschillend qua afkomst, leeftijd en huidskleur - de totale wereldbevolking en alle mensenrassen willen representeren. Anders geformuleerd: mensen uit alle wereldstreken huldigen Christus als hun Koning.  

2.4 Paarden, kamelen en olifanten
De komst van de Drie Koningen werd al eeuwen tevoren door de profeet Jesaja (Jesaja 60, 6) voorspeld: Een vloed van kamelen zal u bedekken,
dromedarissen van Midjan en Efa; alle bewoners komen uit Seba, met goud en wierook beladen; zij verkondigen de lof van Jahwe.
Hoewel de komst van de Drie Koningen getrouw aan de Schriftwoorden meestal met kamelen en dromedarissen in verband wordt gebracht, laten de oudste afbeeldingen echter paarden zien (afb. 20). Volgens interpretaties van sommigen hield het gebruik van kamelen verband met het feit dat de afstand die de Koningen in de tijd tussen Kerstmis en 6 januari (twaalf dagen) moesten afleggen, onmogelijk per paard gedaan kon worden. De paarden werden dus vervangen door kamelen: ze lopen zevenmaal sneller dan paarden en waren beter bestand tegen het overleven in de woestijn. Een waarschijnlijker verklaring is, dat culturele gebruiken en gewoonten, fantasie en symboliek daarbij een rol hebben gespeeld. Hier en daar komt men dan ook een mengeling van paarden (symbolisch voor Europa), kamelen (Afrika) en zelfs olifanten (AziŽ) tegen (afb. 21). Daarnaast treft men op andere afbeeldingen nog vele andere dieren - zoals aapjes, pauwen, vogels, honden - aan (zie bijvoorbeeld afb. 25 en afb. 17). Op een doek in de kathedraal van Como schilderde Bernardino Luini (+ 1532) zelfs een giraf en een tijger.
 

2.5 Het reisdoel: de stal 
Het reisdoel van de Koningen - de stal - is in vele varianten door evenzoveel kunstenaars vorm gegeven. 

Op een miniatuur uit een middeleeuws getijdenboek dat in het Catharijneconvent in Utrecht wordt bewaard, zien we een onderkomen dat de naam 'stal' volkomen rechtvaardigt: een paar stokken, wat stro of riet als dak en een lap als windvanger. Armoediger kan het bijna niet (afb. 22). Op een drieluik, eveneens in het bezit van het Catharijneconvent, zien we een heel ander soort stal: iets ruÔne-achtigs, maar met toch bijna de luxe van een paleis (afb. 23), wellicht de herinnering oproepend aan de opbouw van het vervallen huis van IsraŽl, "de bouwvallige hut van David", zoals de profeet Amos voorspelde (Amos 9, 11). 

De stal van de Italiaanse kunstenaar Giovanni di Paolo (afb. 24) wordt in beeld gebracht door slechts een stro-achtige vloer; de nadruk ligt op de erkenning van de Wijzen, dat dit kind de Koning der Koningen moet zijn. Welke oude Koning zou anders zo nederig ter aarde gaan? 


Een heel ander plaatje schildert ons Gentile da Fabriano (1370-1427). De drie Wijzen krijgen bij Fabriano zoveel pracht en praal dat het wel Koningen moeten zijn: aan hun aanhang lijkt geen eind te komen. Fabriano lijkt hier aan te willen sluiten bij de gangbare tendens om de belangrijkheid van Koningen aan te dikken door alle goud en glitter die aan heersende koningshuizen kleefden, over te nemen bij het uit- en afbeelden van de Drie Koningen. Een 'echte' zwarte Koning is bij Fabriano overigens niet te vinden; maar dat de Koningen van verre kwamen wordt 'verteld' door de aanwezigheid van enkele aapjes en een tijger (afb. 25).
Pieter Breughel II schildert het kersttafereel en de aanbidding van de Koningen in een herkenbaar en bedrijvig winterlandschap. Rond het houtvuur rechts van de open, koude en armoedige stal vinden we een groepje mensen, die de gebeurtenis kritisch lijken gade te slaan (afb. 26). Jeroen Bosch (afb. 27) heeft zo zijn eigen manier van vertellen. Zijn stal is zo gammel, dat je je afvraagt of het dak het wel houden zal. Argwanend volk achter en zelfs bovenop de stal. Een strijdtoneel op de achtergrond. In de deuropening van de stal een frivool en potsierlijk geklede koning Herodes met zijn gevolg, die de aanbidding van de Koningen gadeslaat, zonder zelf de bedoeling te hebben hulde te brengen aan het kind. Jeroen Bosch ten voete uit.
Een interessant detail op het middenpaneel van het 'Driekoningenaltaar' van Rogier van der Weijden (1399-1464) is het kruisbeeld dat boven het hoofd van Maria aan de middenpilaar hangt: bij de aanbidding door de Koningen werd de dood van het kind reeds voorspeld (afb. 28).
 

2.6 Mysteriespelen
In liturgische kerstspelen was het de gewoonte, dat priesters, verkleed als herders en Koningen, uit verschillende hoeken van de kerk de ster naar het altaar - later de stal - volgden (afb. 29). Deze vorm van het middeleeuwse mysteriespel leidde tot een groot aantal uitbreidingen: er kwam een os en ezel in de stal, herders met schapen, en natuurlijk ook de Drie Koningen. Naarmate hun rol in het mysteriespel belangrijker was, speelden hoogwaardigheidsbekleders de rol van Koningen. In later tijden werd van hogerhand verboden dergelijke mysteriespelen in de kerk uit te voeren, vanwege de groei van het buitenproportionele karakter ervan (herders die een kom met pap de kerk inschopten en andere, soortgelijke banaliteiten).

2.7 Een ster wijst de weg
In het verhaal van de Drie Koningen is een niet onbelangrijke rol weggelegd voor de ster. Een ster, die hen de weg wijst. Een wonderlijke ster: hij was immers dag en nacht te zien.
De ster werd op de meest uiteenlopende wijzen geschilderd: omringd door een wolk van engeltjes (afb. 30) en door Giotto di Bondone als een staartster (afb. 31). Dit fresco werd door Giotto geschilderd in 1302, volgens sommigen mogelijk geÔnspireerd door de komeet Halley die - naar berekeningen uit onze tijd - het jaar daarvoor in ItaliŽ te zien moet zijn geweest. Erg overtuigend zijn deze interpretaties en verklaringen overigens niet, en bovendien komt de 'staartster' reeds voor op veel oudere mozaÔeken en iconen.
 

2.8 Langs een andere weg naar huis
De Koningen gingen, zoals MatteŁs vermeldt, langs een andere weg naar huis. In de kathedraal van Saint Lazare in Autun afb. 32) is een afbeelding uit de twaalfde eeuw te zien, waarop een engel de Drie Koningen wakker maakt en hen waarschuwt niet dezelfde weg terug te gaan. Op een modern 20e eeuws schilderij van Edith Klaiber-Frei zien we niet ťťn engel die de Koningen de weg wijst naar de stal, maar twee: een blanke en zwarte engel (afb. 33). 

MatteŁs laat ons in het ongewisse waarlangs en waarheen de Koningen terug gingen. Interessant is een mozaÔek in het Baptisterium te Florence, waar we de Drie Koningen - begeleid door een schipper - per boot terug zien reizen (afb. 34).
Verschillende legenden vertellen ons dat Melchior, Caspar en Balthasar door St. Thomas zouden zijn gedoopt en daarna als bisschoppen werkzaam zijn geweest. Ze zouden tenslotte in de Perzische stad Servan de marteldood zijn gestorven, resp. 116, 112 en 109 jaar oud. Hun stoffelijk overschotten werden door keizerin Helena, de moeder van Constantijn de Grote ontdekt en naar Constantinopel overgebracht. Nadat keizer Barbarossa in 1162 Milaan veroverd had, werden de relieken twee jaar later door een plechtige translatie overgebracht naar Keulen, waar ze op 25 juli 1164 aankwamen. Met uitzondering van 1794-1808 - toen hun relieken in Frankfurt werden ondergebracht - rusten zij daar in de Domkerk onder een prachtige gouden schrijn (afb. 35).
 

3 DRIEKONINGEN IN DE FOLKLORE  

Juist de donkere dagen rond Kerstmis en Nieuwjaar werden in het verleden vaak aangegrepen om te feesten. Broederlijke feesten, door arm en rijk samen gevierd. Er werd doorgaans veel gegeten en nog meer gedronken. Bij weigering van drank moest men zelfs vaak een pand inleveren.
Aan boord van schepen en ook in gevangenissen werd Driekoningen gevierd, meestal op een Sinterklaas-achtige manier: liedjes zingen en cadeautjes ontvangen. De eet- en drankgelagen alsmede de branden die dat soms tot gevolg had, deden de overheden op een gegeven moment besluiten dit soort feesten bij de wet te verbieden. De armen voelden zich daardoor zo bedreigd, dat uit die nood het zingen langs de huizen werd geboren.

Al sinds eeuwen trekken in Nederland en andere landen van Europa dan ook op 6 januari 'Driekoningen' langs de deur. Het Driekoningenfeest kent een groot aantal folkloristische elementen; de bekende 'bonenkoek' of Driekoningenbrood is er daarvan slechts ťťn! In de loop der tijden is een groot arsenaal liederen, versjes en verhalen ontwikkeld door bekende en minder bekende schrijvers en dichters.
Legendarisch is het verhaal van de Vlaamse schrijver Felix Timmermans: Waar de sterre bleef stille staan. Om geld op te halen voor een pintje in stamineeke 'Het Zeemeerminneke', trekken de manke herder Suskewiet, de palingvisser Pitjevogel en de bedelaar Schrobberbeeck met een draaiende ster zingend langs de huizen (afb. 36). Terwijl Suskewiet de ster draaiende houdt, zingen de drie mannen: 


Wij zijn de Drie Koningen met hun ster.
 
Wij komen gerezen van heel ver. 
Wij gingen en zochten overal,
over berg en over dal.
En waar de sterre bleef stille staan,
zijn wij mee dreeŽn naar binnen gegaan.

De draaiende ster - een onmisbaar attribuut - is eigenlijk een overblijfsel van het oude gebruik om met grote vuren het einde van de Joeltijd te vieren. Men ging ervan uit dat het licht tien dagen had stilgestaan en dat het nu terugkeerde. Tegenwoordig zijn de draaiende sterren meestal vervangen door lampionnen, - en de kaarsjes (helaas nogal eens) vervangen door kleine batterijtjes! Ook het zogenaamde 'kaarsje springen' (de kunst om over drie brandende kaarsjes te springen zonder zichzelf te verbranden, maar wel zonder dat de kaarsjes uit gingen) is verdwenen.
Ook kunstenaars als Anton Pieck, Jan Steen en Jordaens hebben de folklore rond de Drie Koningen vorm gegeven. Met het kenmerkende gevoel voor nostalgie gaf Pieck bijna fotografisch weer, hoe er 'Driekoningen' werd gezongen: aanvankelijk koorknaapjes/misdienaars die zongen voor het goede doel. Later gingen de bedelaars zelf - verkleed en getooid met koningskronen - langs de huizen in de hoop een graantje mee te pikken van de rijkdom daarbinnen. De liedjes die werden gezongen hadden meestal een spottende tekst, zodat men wel gedwongen werd iets te geven. Weer later waren het de kinderen die gingen zingen. Het was dan een feest om de zwarte Koning te mogen zijn. Om de armoede nog eens extra te onderstrepen, gaf Pieck ťťn van de Koningen altijd een houten been (afb. 37). Op Jan Steen's Driekoningenfeest is te zien, hoe het Driekoningenfeest werd gevierd: het ging er kennelijk uitbundig aan toe en de drank vloeide rijkelijk (afb. 38). Dezelfde uitbundigheid is te vinden op een schilderij van Jordaens (afb. 39): naarmate er meer gedronken werd, werd de snelheid van de uitroep 'Bibat le roi - de koning drinkt' steeds frequenter. Wilde een van de gasten even een persoonlijke drinkpauze, dan stond de nar al meteen klaar om deze persoon met roet of houtskool te besmeuren en hem intussen een pand te ontfutselen.
 
Overigens werd ook in 'Haagse kringen' Driekoningen gevierd: in de Hollandse Mercurius (1662) lezen we, dat prins Willem III een liefhebber van het Driekoningenfeest was:


De prince van Orangien in den Hage,
zijnde op drie coningendach
in presentie van zijn grootmoeder de princes douairiŤre van Orangien
en meer andere illustere personagien
in het trecken, het lot van coning zijn toeghecomen...

In vroegere tijden kende het Driekoningenfeest een spontane organisatie. Bekend is bijvoorbeeld het gebruik van de zogenaamde 'trekbrieven': een zestiental strookjes waarop bepaalde functies waren aangegeven met een vierregelig rijmpje. De bedoeling van zo'n trekbrief was dat er door het lot een Koning aangewezen werd. Die Koning had natuurlijk een aantal functionarissen naast zich die eveneens door het trekken van zo'n kwatrijn werden bepaald: raadsman en rentmeester, proever, schenker, poorter, kok enzovoort. Het gedichtje voor de schenker luidde bijvoorbeeld: 

Leeg uw glazen, wilt eens drinken,
ik zal ze lustig vol gaan schinken,
met wijn of met goed ander nat.
Drink toe, daar is nog meer in 't vat.
 

Driekoningen-liedjes zijn in vele varianten ontwikkeld, en blijven een belangrijk onderdeel van het feest. De meeste populaire liedjes zijn erop gericht de meegenomen snoeptassen zo vol mogelijk te krijgen.
Een magistraat in Den Bosch vaardige eens een verordening uit, waarbin verboden werd "niet alleen jongens en kinderen, maar ook volwassenen personen des avonds op den dag der soogenaamde Driekoningen langs de huizen te gaan met verlichte machines, representerende sterren...". De dienders, die op Driekoningendag hun jaarlijkse diensthoed kregen, werden met een spotlied begroet: 


Driekoningen, Driekoningen,
geef mij 'nen nieuwen hoed.
Want den ouwe die is versleten,
ons moeder mag 't niet weten,
ons vader heeft het geld
al op de toonbank uitgeteld.

DRIEKONINGEN

een Driekoningen-lied van Lea Smulders  

Driekoningen reisden vanuit een ver land
door dorre woestijnen met allemaal zand.
Ze zaten daar hoog in het zadel,
geen tijd voor een vijg of een dadel.  

refrein:
Want ze zochten 'n Koning die niets bezat.
Geen geld en geen goed en geen kleren had.
Het kribje waarin hij ter wereld kwam,
dat was van een ezel, een os en een lam.  

Toen wilde er eentje terug naar zijn vrouw.
Nee, zeiden de and'ren, dat vinden we flauw.
We zijn toch op zoek naar 'n wonder,
je vrouw kan wel eventjes zonder.  

Toen kreeg er de tweede oosterse griep.
Ik wil naar mijn bed, dat was al wat hij riep.
Maar de anderen riepen: Nog even,
die griep zul je best overleven.  

Toen schreeuwde de derde: Nu wil ik naar huis.
Mijn geld wordt gestolen, 't ligt niet in de kluis.
Nou, zeiden ze, laat het maar stelen,
wat kan jou die centen verschelen!  

Ze vonden hun Koning, hij was nog maar klein.
Ook wij willen nu de Drie Koningen zijn.
Het oude verhaal blijft hier leven:
ťťn zwarte, twee witte erneven.

Uiteraard heeft de Driekoningen-folklore zich niet alleen in ons eigen land ontwikkeld. In vele landen van Europa bestonden en bestaan nog steeds typische Driekoningen-gebruiken. 
Op de Piazza Navonna in Rome vindt jaarlijks de beroemde kerstmarkt plaats. De meeste kerststallen (zoals bijvoorbeeld de beroemde Napolitaanse kerststal) zijn rijkelijk voorzien van accessoires: hele karavanen met kamelen en Koningen die van alle denkbare materialen zijn vervaardigd. Overigens trekt in Rome niet de Driekoningenstoet, maar de heks Befana (waarschijnlijk een verbastering van 'Epifanie', de verschijning des Heren, zoals de officiŽle benaming van Driekoningen luidt) door de straten van de stad rond. Alle heksen (variŽrend van kleine heksjes op bezemstelen tot enorm zwevende heksen van de meest afgrijselijke materialen gemaakt) hebben ťťn ding gemeen: ze hebben snoep bij zich voor de kinderen.
Heel anders wordt Driekoningen in Polen gevierd: een huiselijk feest met permanent gedekte tafels. Midden op tafel ligt een soort vogelnest van stro, ter herinnering aan de kribbe in de stal. Daaroverheen gaat het tafelkleed; in het 'holletje' dat zo ontstaat wordt een stukje ouwel gelegd. Iedere gast breekt een stukje van die ouwel af en eet dat op. Het eten ervan betekent zoiets als: 'Het gaat je goed in dit nieuwe jaar, moge honger en ellende je bespaard blijven'.
In het Duitse Beieren bestond de gewoonte om op 6 januari met gewijd krijt op de huisdeuren de letters CMB (afkorting voor 'Christus Mansionem Benedicat': moge Christus deze woning zegenen) met een jaartal. Toen men geen Latijn meer verstond, heeft de volksmond daarvan de namen van de Drie Koningen gemaakt: Caspar, Melchior en Balthasar.

                                                                            * * *

De Drie Koningen zijn behalve de beschermheren van de houthakkers (maar dat is weer een ander verhaal!) ook - hoe kan het ook anders - de patroonheiligen van de reizigers. Bekend zijn bedrukte lapjes stof die in de reiskleding konden worden genaaid en de drager onder de bescherming stelden van de Drie Koningen (afb. 40). Eveneens waren er amuletten en medailles in omloop, die reizigers moesten beschermen tegen allerlei onheil onderweg. 
Zwangere vrouwen hadden weer een andere manier om de bescherming van de Drie Koningen aan te roepen. Viel er namelijk op 6 januari verse sneeuw, dan stopte men iets daarvan in een flesje, liet dat smelten en dronk het op tegen het krijgen van kraamvrouwenkoorts. 

En wie op 6 januari aan een Brabantse huiskamertafel wel eens heeft zitten rikken (een veel gespeeld kaartspel), weet wellicht nog dat een mooie rik van de tegenpartij door het bezit van twee rode en een zwarte 'Koning' van tafel geveegd kon worden!
 

(Met dank aan Jan van Lier en Peter Franken voor hun kritische opmerkingen en aanvullingen bij het manuscript; en aan mevrouw Ad van Buren - v.d. Dungen voor het ter beschikking stellen van de afbeeldingen bij dit artikel).

 LITERATUUR

 Frans Hannema, Uit de schatkamer der Middeleeuwen. Luitingh, Amsterdam.  

Het kerstfeest van J.J. Mak. Nijhoff, 's-Gravenhage, 1948.  

L. KŁppers, Die heilige Drei KŲnige: Darstellung und Verehrung. Bongers, Recklingenhausen.  

Jos Philippen, Kerstmis en Driekoningen in de beeldende kunsten. Pro Arte, Diest.  

Adam Wienand, Das Buch der Heiligen Drei KŲnige.  

Weihnachten (met een inleiding van Janos Jajczay). Union, Berlijn.  

W. WŁsterfeld/N. Koers/M.Caron, Rondom kerst. Catharijneconvent, Utrecht, 1990.  

Dit artikel is geschreven op basis van de tekst van een lezing over Driekoningen die mevrouw + Ad van Buren - v.d. Dungen eind 1993 hield. Zij verzamelde meer dan 25 jaar afbeeldingen, publikaties, verzen, liedjes, verhalen en alles wat met Driekoningen te maken heeft. In 1993 werd een gedeelte van haar omvangrijke collectie tentoongesteld in Oisterwijk (Noord-Brabant) onder het motto 'Van Balthasar tot Suskewiet'.

[AFBEELDINGEN BEHOREND BIJ DIT ARTIKEL, NIET MEER BESCHIKBAAR]

 Afb. 1: Stefan Lochner, Aanbidding der Koningen (Domkerk, Keulen, 1445). Door de 'driehoekscompositie' (koning links, Maria met het kind, koning rechts) lijkt de derde koning verdwenen te zijn. Hij staat echter enigszins 'incognito' rechts naast de troon.

 Afb. 2: Het kerstverhaal (Fragment uit een serie van acht voorstellingen, gemaakt door een collectief van Indonesische kunstenaars, op verzoek van het Katechetisch Instituut van Yogyakarta, PMW, Den Haag).

 Afb. 3: Franklin Latortue, De geboorte (Courtesy of Collection de la Galerie d'Art Nader, Port-au-Prince, HaÔti).

 Afb. 4: Pieternel Nelissen, Driekoningen (Koptische icoon).

 Afb. 5: De Drie Koningen (Detail doopvont, Parochiekerk Stockum, ca. 1230).

 Afb. 6: Onbekende meester, Aanbidding der Koningen (Eikehout, 75 x 72 cm., Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Utrecht, ca. 1450).

 Afb. 7: Aanbidding der Koningen (Detail wandtapijt NŁrnberg, Staatliche Museen Berlin-Dahlem, 15e eeuw). Merk op, hoe prachtig men in de vijftiende eeuw de plooien in de kleding kon weven. De kroon van de eerste koning ligt op de grond en is vervangen door de nimbus (stralenkrans).

 Afb. 8: Aanbidding van Christus (Glas-in-lood-raam, CisterciŽnzerklooster Lilienfeld, ca. 1327).

 Afb. 9: Aanbidding der Koningen (Ethiopisch miniatuur, klooster H. GabriŽl, Tanasee, EthiopiŽ, ca. 1420). Het kind lijkt (nog) onder de bescherming van de engel (groter dan de koningen en Maria!) te staan.

 Afb. 10: De aanbidding van de Drie Koningen (Miniatuur uit de Codex van Karel V, klooster El Escorial, Madrid, 16e eeuw).

 Afb. 11: Ulrich Henn, Aanbidding der Koningen (Altaardetail katholieke kerk, St. Clemens, Mayen).

 Afb. 12: Aanbidding der Wijzen (MozaÔek in de San' Apollinare Nuovo, Ravenna, 6e eeuw).

 Afb. 13: Aanbidding der Wijzen (Houten deur met taferelen uit de bijbelse geschiedenis, Basilica di San Sabina, Rome, 5e eeuw).

 Afb. 14: Aanbidding der Wijzen (Libro d'Ore, archief O.P., San Sabina, Rome, 15e eeuw).

 Afb. 15: Aanbidding der Wijzen (Detail van het altaar in de kerk van Matejovce, TsjechiŽ/Slowakije; SlovenskŠ NŠrodnŠ Galťria, Bratislava, 1440-1450).

Afb. 16: De Drie Koningen (Detail altaar van Mosoll/Cerdana, Museu d'Art de Catalunya, Barcelona, 13e eeuw).

Afb. 17: Onbekende meester, De aanbidding van de Wijzen uit het Oosten (Musťe Marmottan, 15e eeuw).

Afd. 18: De aanbidding der Koningen (Glas-in-lood-raam, waarschijnlijk Engeland).

Afb. 19: De Drie Koningen (Nigeria, Hombauer-Missio, Aken).

Afb. 20: Epiphanie. Bovenste rij: de Koningen, voorafgegaan door een engel, op weg naar Bethlehem. Onderste rij: de aanbidding der Koningen (Plafondschildering houten tongewelf, St. Martin in Zillis, GraubŁnden, Zwitserland, 1130).

Afb. 21: De Drie Koningen te paard, olifant en kameel (Kerstgroep uit Arrazola, Mexico; collectie Elisabeth Houtzager, Bijbels Openluchtmuseum, H. Landstichting/Nijmegen).

Afb. 22: De aanbidding (Miniatuur uit een getijdenboek, 1470-1480, Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Utrecht).

Afb. 23: Middenpaneel drieluik (De geboorte van Christus, de Aanbidding van de Koningen en de Vlucht naar Egypte, Rijksmuseum Het Catharijneconvent, Utrecht, ca. 1520).

Afb. 24: Giovanni di Paolo, De aanbidding der Wijzen (Andrew Mellon Collection, National Gallery of Art, Washington, ca. 1403-1482).

Afb. 25: Gentile da Fabriano (1370-1427), Aanbidding der Wijzen (Uffizi, Florence).

Afb. 26: Pieter Breughel II (1528-1569), De aanbidding der Wijzen in de sneeuw (particulier bezit).

Afb. 27: HiŽronymus Bosch (1450-1516), De aanbidding der Wijzen (Prado, Madrid).

Afb. 28: Rogier v.d. Weijden (ca. 1400-1464), Driekoningenaltaar (Alte Pinakothek, MŁnchen).

Afb. 29: Een liturgisch kerstspel. In het midden de hostie (Christus), die wordt getoond door twee engelen. Op de voorgrond de aanbidding door priesters als koningen en herders (afbeelding uit Cheney, The Theatre).

Afb. 30: Aanbidding der Koningen (Detail altaarschildering van de Meister von Messkirche, parochiekerk Messkirch, ca. 1538).

Afb. 31: Giotto (1267-1337), De aanbidding der Wijzen (Scrovegni-kapel, Padua).

Afb. 32: De Wijzen uit hun slaap gewekt door de engel (Kathedraal Saint Lazare, Autun).

Afb. 33: Edith Klaiber-Frei, De heilige Drie Koningen (Zwitserland).

Afb. 34: De terugkeer van de Wijzen (MozaÔek, Baptisterium te Florence, 13-14e eeuw).

Afb. 35: Driekoningenschrijn (Vervaardigd door Nicolaas van Verdun, 1181-1220; Domkerk, Keulen).

Afb. 36: Illustratie uit de Driekoningentriptiek van Felix Timmermans.

Afb. 37: Anton Pieck, Driekoningen.

Afb. 38: Jan Steen (1626-1679), Driekoningenfeest.

Afb. 39: Jakob Jordaens (1593-1678), De koning drinkt.

Afb. 40: Afbeelding van een uit BelgiŽ afkomstig bedrukt lapje stof dat in de kleren genaaid kon worden en de drager onder de bescherming van de Drie Koningen moest stellen. Het lapje heeft in werkelijkheid een formaat van 10 bij 4 cm. Op het stukje textiel is een afbeelding te zien van de Drie Koningen die naar de ster Wijzen met daarnaast een in het Frans gestelde tekst. Vertaald luidt deze: "O Heilige Koningen Gaspar, Melchior en Balthasar, bidt voor ons nu en in het uur van onze dood. Dit briefje heeft de relikwieŽn van de heilige Drie Koningen aangeraakt wier bescherming ingeroepen wordt tegen koorts, epilepsie, een plotselinge dood en alle ongelukken die reizigers kunnen overkomen."

 

Terug naar overzicht