VITABERNA

 

 


Pastoraal atelier

Levoland 

Relimarkt

Bronnenmagazijn

 

VUUR
Tegenstrijdig en veelzeggend oerelement

Met 'brand', met 'vuur' hebben we iets. Wat dat precies is, valt misschien niet zo gemakkelijk onder woorden te brengen, maar het is in elk geval iets bijzonders. Dat geldt voor alle soorten volwassenen, maar dat gaat zeker ook op voor kinderen.

Het gezicht van vuur
Vurige woorden
Vuur in oude tijden
Heilig vuur
Bijbels vuur

Het gezicht van vuur
Wat en waar je ook leest rond 'vuur', over één ding zijn alle auteurs het steeds roerend eens: Vuur en het gebruik ervan is niet weg te denken uit samenlevingen van mensen. Ze maken er uitgebreid gebruik van bij de bereiding van hun eten, ze zetten het in voor verlichting en verwarming, het vormt een sfeerbepalend onderdeel bij hun hang naar gezelligheid en comfort, en ga zo maar door. Het gebruik van vuur is mensen als het ware tot een tweede huid geworden. Het lijkt stilaan zo gewoon en vanzelfsprekend, dat er ogenblikken zijn dat je bijna zou kunnen vergeten dat het er is.

Maar toch zijn er telkens ook weer momenten waarop vuur nadrukkelijk op de voorgrond treedt. Het laat dan bij wijze van spreken weer even (iets van) zijn gezicht zien. Het is een gezicht waar in elk geval ook kinderen telkens weer door aangesproken blijken te worden en waar ze zelfs voor kunnen vallen. Maar boven alles is het een gezicht met sterk wisselende en niet zelden tegengestelde gelaatstrekken, stemmingen en verschijningsvormen. Dat is het ook voor kinderen en ook al hebben zij in een moderne industriële samenleving heel andere ervaringen met vuur dan kinderen in samenlevingen waar lucifers of aanstekers nog zeldzaam waren en de smidse met zijn open vuur nog in het centrum van het samenleven lag.

Boeiend geheim
Bij het gezicht van vuur denken we op de eerste plaats aan wat we het 'pakkende gezicht' van vuur zouden willen noemen. En als woorden om de trekken daarvan nader te karakteriseren komen dan termen boven drijven als: aanlokkelijk, aantrekkend en boeiend, indrukwekkend, spannend en meeslepend, vasthoudend en bindend, maar in het verlengde daarvan zeker ook woorden als geheimzinnig, mysterieus en geheimvol.

Iets van dat alles wordt zichtbaar wanneer we midden in een kring een brandende kaars zetten. Zonder dat we er verder iets bijzonders bij doen of bij zeggen spitst op het moment zelf alle aandacht van elk van de kinderen zich op die ene flakkerende vlam. Eigenlijk kunnen ze er hun ogen niet van af houden. Het lijkt wel of er een obsederende werking van uitgaat op hun anders vaak zo fragiele aandacht, die nu alleen nog maar gebroken kan worden als we de kaarsvlam doven. Maar tot dat (onzalige) moment staat het wonderlijke en geheimzinnige gebeuren van de vlam letterlijk en figuurlijk in het middelpunt van de aandacht. Zonder woorden en al dansend lokt en boeit die op een manier waarvan zij alleen het geheim lijkt te kennen. En voor ieder die luisteren wil afzonderlijk – en wie wil dat bij vuur niet – vertelt ze allerlei spannende verhalen: Verhalen bijvoorbeeld van heet zijn en verbranden, van voortdurende vervorming en vertering, van al maar doorgaande vernieuwing en transformatie, of verhalen van klein zijn en groot willen worden, of verhalen van wat ieder alleen voor zich weet...

Zoiets gebeurt al met één gezamenlijke kaars in een kring, we zien het helemaal gebeuren als we elk kind een eigen vuurtje in handen geven. Naast elkaar ontstaan er als het ware eilandjes van aandacht waar alleen nog oog is voor de vlam van het eigen vuur, terwijl vingers soms de onweerstaanbare neiging hebben haast vriendelijk plagend van zo nabij mogelijk de directe omgeving ervan te verkennen. En een hele aparte beproeving lijkt het te worden, als we in een kring ieders kaars één voor één aansteken door aan elkaar vuur door te geven. Bijna trappelend van ongeduld volgen de ogen van de 'nog-niet-hebbers' de gang van het vuur de kring rond, terwijl de 'al-wel-hebbers' vanaf het ontvangen van vuur helemaal in bezit genomen zijn door hún eígen vuur, er helemaal in opgaan. En mocht het eigen vuur onverhoopt uitgaan, dan is de teleurstelling van de gezichten af te lezen.

Vergelijkbare ervaringen kunnen we trouwens opdoen bij allerlei optochten met fakkels of lampionnen, zoals bij de feesten van St.-Maarten of Driekoningen. Ook dan valt de fascinatie zonder moeite van kindergezichten af te lezen en opnieuw valt er ook dan een wereld in duigen als het eigen vuurtje om wat voor reden ook dooft voor het eindpunt van de tocht bereikt is.

En wat geldt voor één enkel vlammetje van een kaars, gaat natuurlijk helemaal op wanneer we grotere vuren aanleggen. Dat geldt al voor de momenten waarop we de houtskool opstoken voor een barbecue, dat geldt zeker bij de echt speciale gelegenheden: de stapel kerstbomen die aan het begin van het jaar met dank voor bewezen diensten wordt verbrand; feesten op bijzondere momenten in het jaar als Pasen en St.-Jan, die al vanouds aanleiding zijn om grote feestvuren bij te ontsteken; en natuurlijk het grote kampvuur zonder welk geen enkel (school)kamp een echte kampeerpartij zou zijn.

Ongetwijfeld nog versterkt door het donker van de avonden waarin we ze traditioneel branden, maken dergelijke vuren dikwijls enorme indruk. Het zijn vuren waar we eindeloos lang als gebiologeerd naar kunnen kijken. Staren naar de ongecontroleerd gecontroleerde vlammen die onzichtbaar bewogen dansen, een eigen leven lijken te leiden en die reageren op elk zuchtje wind en elk beetje nieuwe brandstof. Vonken nakijken die knetterend wegspringen en gedragen door wat wind nagloeiend afdrijven door de lucht. De aparte geuren ruiken die onze neus prikkelen en onze kleren – ook de volgende dag nog – doordringen. De warme lichtende gloed voelen die ondanks alle avondkoelte wordt uitgestraald en die in zijn spel met schaduwen herkenbare mensen en zaken tot iets nieuws creëert. En in het centrum van dat alles kunnen vlammen, die volgens sommigen gestalten zijn van geheimzinnige vuurgeesten, onweerstaanbare gevoelens oproepen en zo voor wie het horen wil spannende en verlangende verhalen vertellen, die meevoeren op reis naar ongekende hoogten, diepten, verten...

En of we ze nu zelf organiseren of dat ze ons overkomen als toevallige grote branden: het zijn vuren die je bijblijven, die bij je blijven en met je meegaan vaak nog lang nadat ze al gedoofd zijn.

Verleidelijk
Op een of andere manier slaagt vuur erin om ons onweerstaanbaar in de greep te houden. En misschien wel juist daarom heeft het pakkende gezicht van vuur naast de al genoemde karakteristieken tegelijk ook uitdagende en verleidelijke trekken. Het zijn trekken die iets hebben van op een of andere manier de hand willen hebben in vuur. En ook dat zijn trekken die ook aan kinderen meestal niet voorbij gaan.

Al is het in onze samenleving door iedereen en op bijna alle plaatsen verboden, toch hebben zo goed als alle kinderen (minstens) een periode dat ze er plezier in hebben om – al dan niet stiekem – 'fikkie te stoken'. En heel vaak gaat het samen met een te pas en te onpas uitproberen van wat er nu allemaal wel en wat er nu juist niet wil branden. Hoe goed blijken droge spullen wel niet aan te steken, terwijl in vochtige zaken nauwelijks enige vlam te krijgen is. Dat zijn zaken, die je zelf eigenlijk proefondervindelijk vast hebt moeten stellen om het ook echt te weten.

En wie van ons heeft er niet eens geëxperimenteerd met de vuurmogelijkheden van een vergrootglas. Geconcentreerd konden we staren naar de plek waar het gebundeld zonlicht tot een gloeiende punt samenbrak op de rug van onze hand of op de huid van onze arm om te voelen hoe lang we de hitte ervan zouden kunnen verdragen. Of om op die manier te proberen gaatjes te branden in een stukje papier, boombladeren, stukjes stof... Op eenzelfde manier – of gewoon met 'toevallige' lucifers – kon je ook het uiteinde van een stukje veter aansteken. Wanneer het eenmaal gloeide, was het de kunst om al blazend dat puntje gloeiend te houden, om dat vuurtje gaande te houden. En dat het daarbij ook nog lekker kon stinken, was uiteindelijk meer dan alleen maar mooi meegenomen.

Deze verleiding tot spelen met vuur, die blijkbaar diep in onszelf wortelt, beweegt zich ergens rond uitdaging en spanning. Het maakt deel uit van de blijkbaar steeds lokkende en moeilijk te weerstane magie van het heersen over het in oorsprong onbeheersbare. Voor dat moment ben jij degene die vurige machten en krachten niet alleen weet te ontketenen, maar die ze vervolgens helemaal zelf (hopelijk) ook binnen de perken en in bedwang weet te houden, die ze weet te controleren om er uiteindelijk een einde aan te maken.

Gevaarvol
Maar behalve een pakkende kant heeft vuur tegelijkertijd ook trekken die we er het 'afstotend gezicht' van willen noemen. Vuur lijkt ons als vanzelf op een afstand te willen houden op straffe van verbranding wat verwondingen tot gevolg heeft die – naar men zegt – de ergste pijn doen die een mens zich maar denken kan.

Als aanduiding van karakteristieke trekken van dat gezicht moeten dan ook woorden klinken als: gevaarlijk en dreigend, overweldigend en nietsontziend, bangmakend, onheilspellend en angstaanjagend, vernietigend en verstikkend, totale verdelging en dito verwoesting. Maar tegelijk zijn in het verlengde daarvan tevens stemmen te horen die spreken van loutering, reiniging en zuivering.

De trekken van dat gezicht worden concreet, als we er aan denken hoe we jaarlijks geconfronteerd worden met haast oncontroleerbare en nauwelijks meer te bedwingen bosbranden in droge en warme streken, waar we normaal gesproken eerder aan denken als we plannen maken voor een zorgeloze vakantie. Van over heel de wereld komen via de televisie regelmatig en soms breed uitgemeten beelden naar ons toe van allerlei vormen van uit de hand gelopen en dus levensbedreigend vuur in bijvoorbeeld hotels of wolkenkrabbers. En dichter bij huis blijkt verwoestend vuur ondertussen al een vast onderdeel van het portie reality-tv, dat we dagelijks op onze beeldbuis voorgeschoteld kunnen krijgen, terwijl iedere actiefilm die zich enigszins respecteert, ons spannend op het puntje van onze stoel probeert te krijgen met enorme vuurballen en andere vurig vlammende effecten.

Maar daarnaast kent ieder van ons ongetwijfeld ook zelf verhalen over grotere of kleinere verwoestende branden in onze directe omgeving: schoorstenen, kamers of hele woonhuizen, soms zelfs hele huizenblokken en complete winkelcentra; bedrijven of boerderijen; verschillende natuurgebieden van wisselende grootte en met meer of minder zeldzame begroeiing. Ondanks alle onderlinge verschillen zijn en blijven het toch telkens weer spannende verhalen.

Al dan niet door onze verbeeldingskracht vertekend weten we ons allerlei details zo goed als blijvend te herinneren: de opwinding rond het uitrukken van de brandweer alleen al; de kick van de achtervolging naar de plek des onheils; de spanning van de schijnbaar ongelijke strijd van de brandweerlui om zoveel mogelijk op het vuur te behouden; de sensatie van het door de ramen en het dak slaan van de vlammen of het in een wolk van vonken instorten van (een deel van) het gebouw; de alles rakende intense hitte die er als vanzelf voor zorgde dat je wel op een veilige afstand moest blijven; de haast voelbare dreiging rond de zogenaamde 'belendende percelen' (Godfried Bomans) die ter bescherming nat gehouden moesten worden of bij de brandvrije zones die uit voorzorg gecreëerd werden.

Het zijn allemaal zaken die de zeker ook aanwezige ontreddering van getroffenen naar de achtergrond lijken te drukken. Zelfs mogelijke slachtoffers, de manier waarop en de omstandigheden waaronder ze dat werden, lijken er na verloop van tijd haast bij in te schieten, vergeten te worden of te verworden tot een hoogstens pikante kanttekening in de marge van dat concrete verhaal over vuur.

De gelaatstrekken van vuur, die daar achter wegkomen, maken dat de omgang met vuur ondanks alle aantrekkelijkheden en verlokkingen die er in besloten liggen, steeds ook gepaard gaat met waarschuwingen om toch vooral voorzichtig te zijn. Het moment waarop vuur zijn ware afstotende gezicht laat zien, is meestal dichterbij dan we ons in de euforie van ons vuurgebruik misschien bewust willen en misschien ook wel kunnen zijn. Hoe vertrouwder we ermee zijn, hoe minder oog we lijken te hebben voor de gevaren. Sprekende voorbeelden daarvan zijn de keren dat het spelen van kinderen met vuur door hen uiteindelijk toch niet meer te controleren blijkt en dus oncontroleerbaar uit de hand loopt. En ook de al jaren noodzakelijke campagne, die kinderen en jongeren met schokkende beelden keihard laat weten dat je een rund bent als je met vuurwerk stunt, spreekt in dezen boekdelen

Niet los verkrijgbaar
Met dit laatste is tegelijk al enigszins aangegeven, dat we bij een schildering van het gezicht van vuur dergelijke karakteristieke trekken weliswaar onderscheiden en uiteengelegd kunnen schetsen, maar dat ze in werkelijkheid nooit los naast elkaar verkrijgbaar zijn. Wat we hierna en naast elkaar in beschrijvingen proberen te vangen, is altijd op één en hetzelfde moment met vuur gegeven.

Het meest pregnant mogelijk worden we met die complexiteit nog steeds geconfronteerd op momenten dat we beelden te zien krijgen van een vulkaan in volle werking. Behalve grote en kleine rommelende aardgeluiden, als uit het niets neerstortende rotsblokken en meer dan huizenhoge as- en stoomwolken, horen daar toch vooral beelden bij van roodgloeiend en vloeibaar geworden gesteente. Onder het spatten van vonken borrelt het als uit het niets op uit de schijnbaar zo vaste grond onder onze voeten en vanuit een of meerdere kraters baant het zich stroperig een weg. Niets wordt daarbij ontzien en uiteindelijk niets blijkt daaraan te kunnen ontkomen.

Naast het mogelijk even raadselachtige vuurfenomeen van de bliksem staan we bij dergelijke beelden als het ware oog in oog met vuur in zijn nog meest natuurlijke oervorm. Hoe we vuur in ons samenleven verder ook in de hand (denken te) hebben, op dergelijke momenten zien we als door een vergrootglas, dat bij vuur tegengestelden gelijktijdig samengaan: afschrikking én fascinatie, onbenaderbaarheid én aantrekkingskracht, vernietiging én uiteindelijk toch ook weer creatie, nieuwe schepping.

En misschien zit hier ook ergens de wortel voor het feit, dat er elk jaar weer kinderen zijn, die er voor kiezen juist deze 'vuurbergen' tot onderwerp van hun opstel of spreekbeurt te maken. Want stellen we ons eens voor: Als rond gewoon vuur al de magie lijkt te spelen van het heersen over het in oorsprong onbeheersbare, wat moet het dan niet betekenen als jíj anderen kunt vertellen en uitleggen over vuur in zijn nog meest natuurlijke oervorm. Alsof jíj het – minstens voor dat moment – in de hand hebt...
[terug]

Vurige woorden
Na alles wat tot nu toe gezegd is over het gezicht van vuur hoeft het nauwelijks verbazing te wekken, dat er ook allerlei vurige sporen terug te vinden zijn in ons woord- en taalgebruik rond zaken die op zich nu niet direct te maken hebben met de vlammend hete concreetheid die vuur meestal eigen is. Dat hoeft het helemaal niet als we het combineren met het feit, dat vuur ons mensen blijkbaar iets fundamenteels doet en we iets bijzonders hebben met vuur.

De karakteristieke trekken van zowel het pakkende als van het afstotende gezicht blijken mensen dan ook al heel lang woorden te bieden op momenten dat andere taal mogelijk tekort schiet om zich op een adequate, voor iedereen inzichtelijke en aanvoelbare manier te uiten. Vuur met zijn heel eigen tegengesteld veelzijdige gezicht blijkt mensen al vanouds een hulp om uitdrukking te geven aan houdingen, gevoelens, belevingen en emoties, aan zowel positief als negatief ervaren relaties, aan handelingen en daden of juist aan het ontbreken daarvan.

Want wat bijvoorbeeld te zeggen van een vurig betoog als het volgende. Hoewel we misschien wel ooit voor heter vuren hebben gestaan, kunnen we op hete kolen zitten en ons het vuur uit de sloffen lopen, ja zelfs hete kastanjes uit het vuur halen voor iemand, een zaak of overtuiging waarvoor we in vuur en vlam staan en dus echt helemaal warm voor lopen. Het gaat dan ook als een lopend vuurtje, dat we daar onze hand voor in het vuur durven steken en desnoods bereid zijn om in het vuur van een betoog iemand stevig onder vuur te nemen door die persoon het vuur na aan de schenen te leggen en zelfs vurige kolen op het hoofd te stapelen om bij hem of haar ook het heilig vuur te doen ontbranden, zodat die er vervolgens ook voor door het vuur zal willen gaan. En dat alles dan met de bedoeling het potje dat op het vuur staat, desnoods tussen twee vuren in, uit het vuur te slepen.

En dan hebben we het nog niets gezegd over vuur in de broek hebben, in vuur verguld zijn, te vuur en te zwaard verdedigen of verwoesten, vuur en vlam spuwen; of over vuur en water – al dan niet in één hand – dragen en over wat water en vuur is ten vure doemen; over kwaad vuur stoken, olie op het vuur gooien of vreemd vuur op het altaar brengen, terwijl het ook nog steeds zo is dat er geen rook schijnt te zijn zonder dat er vuur is, zodat wie vuur wil ook rook moet verdragen...

Kortom: Je zou er zo vol vuur van kunnen raken, dat je geen vuur meer kunt zien...
[terug]


In oude tijden

Dat dit alles niet van vandaag of gisteren is, blijkt wel uit het feit dat vuur een onvervreemdbare plaats heeft in het klassieke denken over de vier oerelementen. Nu nog noemen we het haast automatisch in één adem met de elementen: aarde, lucht en water. Dit denken in oerelementen heeft zijn wortels in de Griekse oudheid. Met name de Griekse filosoof Empedocles (490 jaar v. Chr.) zou aan de wieg van dat denken hebben gestaan toen hij met de elementen: aarde, water, lucht en vuur tot de vierdeling kwam van wat hij de 'wortels van de wereld' noemde. Deze vier elementen stonden in zijn visie namelijk voor de onmisbare krachten, die de wereld in stand hielden. Daaruit zou al het bestaande zijn voortgekomen.

Primus inter pares
Zo gesteld zouden we misschien de indruk kunnen krijgen, dat de vier elementen daarmee in het denken en beleven van die klassieke tijd alle vier van gelijke orde en gelijke waarde waren. Toch werd er wel enig onderscheid gemaakt binnen deze vierdeling. En bij dat onderscheid kreeg met name het element vuur een bijzondere positie.

Van de elementen aarde, water en lucht werd vastgesteld, dat ze er gewoon zijn en dat ze er altijd zijn. In feite zijn ze – met uitzondering van onze hedendaagse vervuiling – in wezen nauwelijks beïnvloedbaar door mensen. Van vuur kan dat echter niet gezegd worden. Vuur is er namelijk niet gewoon en altijd, maar tot het wezen vuur behoort, dat het oproepbaar is. Van de vier elementen is vuur het enige dat de andere drie nodig heeft om zichzelf te kunnen manifesteren en het is het enige dat door de mens echt beïnvloed kan worden. De mens zelf kan vuur maken en hij kan het zelf – met behulp van de andere elementen – ook weer doven.

Maar behalve dat vuur door de mens gemaakt kan worden, is het bovendien ook wat genoemd wordt: 'zelf-genererend'. Als er voldoende warmte, brandstof en zuurstof samen aanwezig is, zal vanzelf vuur ontstaan. En ook al is de werking van vuur onomkeerbaar vernietigend, zolang die voorwaarden vervuld zijn en blijven, zal vuur zichzelf in stand houden en zich verbreiden door om zich heen te grijpen.

En dat maakte dat vuur in het denken rond de vier oerelementen een soort status aparte kreeg, die zelfs zo apart kon zijn, dat vuur wel gezien werd als uiteindelijk de belangrijkste kracht in het heelal. Helemaal in die lijn schrijft Plinius de Oudere in zijn 'Natuurlijke historie' over de betekenis van vuur dan ook, dat 'er bijna niets is, dat niet tot een staat van voltooiing is gebracht door middel van vuur' (36.10 / 2e eeuw n. Chr.).

Door de eeuwen heen
Als zodanig fungeerde de leer van het bestaan van vier oerelementen vanaf de klassieke oudheid dan ook eeuwenlang als het grondleggend principe onder en het vanzelfsprekende theoretisch kader voor de westerse natuurwetenschappen sindsdien. En binnen die natuurwetenschappen bleef vuur een centrale en dominante rol spelen. De middeleeuwse alchemisten die op zoek waren naar een methode om uit onedele metalen goud en zilver te maken en die erop uit waren een levenselixer te bereiden met behulp van de zogenaamde 'steen der wijzen', plaatsten vuur nog in het middelpunt van hun onderzoek. En hetzelfde deden ook de vroege chemici die hen opvolgden. Dat bleef zo tot het einde van de 18e eeuw.

In dat licht is het dan ook heel begrijpelijk, dat de Nederlandse geleerde Herman Boerhave, die in Leiden hoogleraar geneeskunde, botanie en chemie was, in zijn 'Elementa chemicae' in 1732 bijna naar analogie van Plinius de Oudere nog kon en moest schrijven: "Als u zich bij de uitlegging van de aard van het vuur vergist, zal uw vergissing zich over alle takken der natuurkunde verbreiden, daar in alle voortbrengselen van de natuur het vuur steeds het voornaamste werkzame bestanddeel is."

De ontdekking van het vuur
In de loop der eeuwen hadden de zogenaamde 'primitieve' chemici heel wat ideeën het licht doen zien omtrent wat vuur is en omtrent hetgeen er door bewerkt wordt. Het waren veelal ideeën die er van uitgingen, dat er een bepaalde – al dan niet hypothetische – stof moest bestaan, die de essentie van vuur uitmaakte. Zo'n stof, die meestal werd aangeduid als 'phlogiston' of 'caloric', zou er uiteindelijk verantwoordelijk voor zijn dat vuur vuur was.

Dergelijke theorieën waren nog volop in zwang toen in 1777 de 'ontdekking van het vuur' plaats vond – hoe vreemd dat misschien ook klinkt nadat men toch al eeuwen met vuur vertrouwd was. In dat jaar toonde de Franse chemicus Antoine Lavoisier aan dat de sleutel ligt in het feit dat bij verbranding een verbinding met zuurstof optreedt. In natuurwetenschappelijk opzicht gingen vanaf dat moment termen als 'warmte' en 'energie' de plaats van vuur innemen. In die kringen gold vuur daarmee niet langer meer als een element. Het was veelmeer een verschijnsel geworden. En als gevolg daarvan verdween uiteindelijk de klassieke leer van de vier oerelementen als basis voor de moderne natuurwetenschappen.

Vuur als leerschool
Behalve de aandacht die de natuurwetenschappen vanouds hadden voor het element vuur, mag vuur zich sinds jaar en dag echter ook verheugen in de warme belangstelling van wetenschappers als archeologen, antropologen en sociologen. Als men er namelijk van uitgaat dat vuur en het gebruik ervan niet weg te denken is uit samenlevingen van mensen, dan is het een kleine stap om te stellen dat er niets van zo grote betekenis is geweest voor de ontwikkelingsgeschiedenis van mensen als juist vuur. Zoiets deed Charles Darwin in elk geval, toen hij in 1877 in 'The Descent of Man' schreef, dat het leren omgaan met vuur "waarschijnlijk de grootste (ontdekking is) die ooit door de mens is gedaan, afgezien van de taal."

Met vallen en opstaan
De basis onder die gedachte is de ontwikkelingsgang zoals men die zich met betrekking tot het omgaan van de mens met vuur voorstelt. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat we nog ooit precies te weten zullen komen hoe mensen voor het eerst vuur gemaakt hebben en het lijkt ijdel op dat punt ook maar enige verwachting te hebben. Het meest aannemelijk is daarom, dat het leren omgaan van mensen met vuur een langdurig proces is geweest, waarbij met veel vallen en opstaan telkens kleine stappen voorwaarts werden gedaan: ontstaan door natuurlijke oorzaken overkwam vuur aanvankelijk mensen; zo leerden ze voordelen van vuur kennen; ze leerden het behoedzaam binnen bepaalde perken houden; ze leerden het voorzichtig te bewaren en gecontroleerd aan te houden; ze leerden vuur te gebruiken door toevallige ontdekkingen, door min of meer gericht experimenteren en door de werking van 'natuurlijk' vuur te imiteren; ze leerden met stenen en door wrijving als uit het niets 'nieuw' vuur te maken; ze leerden...

De temmer getemd
Beginnend bijvoorbeeld met mogelijkheden zich voortaan te warmen en met de mogelijkheid van eten koken, heeft het leren omgaan met vuur voor mensen allerlei zaken mogelijk gemaakt. Het heeft een schier eindeloze rij van verworvenheden en producten opgeleverd, ook al zullen die gegeven de omstandigheden waarin we op een bepaald moment verkeren, niet altijd even positief gewaardeerd worden.

De waarschijnlijk belangrijkste invloed die van het leren omgaan met vuur uitging, wordt echter doorgaans gezien op een ander vlak. Het opnemen van vuur in het menselijk samenleven heeft in die visie fundamenteel doorgewerkt in de onderlinge verhoudingen van mensen.

Het tot de beschikking hebben en het in stand houden van vuur moet namelijk vanaf het begin gevraagd hebben om een duidelijke verdeling van daarvoor noodzakelijke taken en om een heldere afbakening van verantwoordelijkheden. De afspraken die met elkaar gemaakt dienden te worden, moesten voor iedereen helder zijn en door iedereen ook daadwerkelijk nagekomen worden.

Bovendien ontstonden er bij het opnemen van vuur in het midden van het menselijk samenzijn – mogelijk ongemerkt – ook bijzondere taken, die als vanzelf ook aanleiding gaven tot uitzonderingsposities voor eenlingen of groepen binnen de samenleving van dat moment. Want wie dichtbij het vuur zit, mag geacht worden meer dan anderen de (magische) geheimen van vuur te doorgronden, te kennen en naar de hand te kunnen zetten. Bewaarders van en wakers over het vuur zijn daar ooit toe gerekend, net zoals eens pottenbakkers, glasmakers en metaalbewerkers – de wapensmeden in het bijzonder. En naarmate de beheersing van de mogelijkheden van vuur met de jaren groeide, werden de daarmee gegeven specialismen specialistischer en exclusiever. Een beweging die zich tot in onze dagen doorzet... Deze groei van specialismen betekent in wezen ook dat gemiddelde bekwaamheid van – laten we zeggen – doorsnee-mensen om met vuur om te gaan als het ware afneemt. Het echte werk laat men (noodgedwongen) aan specialisten over.

Ten slotte wil en kan echter niet gezegd zijn, dat daarmee de gevaarlijke kanten werden weggenomen, die vanouds ook met vuur gegeven zijn. Het tegendeel is veel eerder waar. Juist ook die gevaarlijke kanten, die met het wezen van vuur zelf gegeven zijn, vragen eveneens al vanouds en even dwingend om controlerende en regulerende maatregelen rond de omgang met vuur. Het zijn regels, voorschriften, afspraken waaraan iedereen van een samenleving zich te houden zal hebben, zeker ook degenen die in bepaalde meer bevoorrechte posities en situaties dicht bij het vuur zitten.

Dit alles betekent, dat – in welke tijd en in welke omstandigheden ook – individuen en groepen mensen zich steeds en steeds opnieuw moeten verhouden tot het feit dat men vuur in zijn midden heeft en ermee om moet gaan. En dat men datzelfde moet met de onverhoopte mogelijkheid dat het gecontroleerde zich eens een keer als niet meer te controleren zal kunnen ontpoppen. Als mensen met elkaar zal men steeds en overal een modus vivendi met vuur moeten vinden en zich moeten onderwerpen aan de sociale organisatie en mentale discipline die nodig zijn om er optimaal van te kunnen profiteren met een minimum aan overlast en gevaar.

Anders gezegd: Het temmen van het vuur door de mens betekende in zekere zin ook steeds het temmen van zichzelf en van het samenleven met elkaar. De temmer werd in hetzelfde gebeuren ook getemde.

De geschiedenis herhaalt zich
Ook nu nog, in een tijd waarin we soms zelfs de indruk kunnen krijgen dat vuur uit het samenleven van mensen aan het verdwijnen is, gaat dat proces door. Het begint doorgaans al met de kinderen. Wat betreft vuur worden ze bijna bij voortduring geconfronteerd met allerlei veiligheidssignalen waarmee volwassenen vuur omgeven. Meestal al op voorhand worden ze er voor gewaarschuwd. Ze krijgen in verband met vuur allerlei verboden opgelegd. Ze worden gemaand voorzichtig te zijn met vuur en met alles wat vuur kan veroorzaken, uit de buurt van vuur te blijven en er zeker niet mee te spelen. Zelfs in boekjes die geschreven zijn om kinderen al doende zelf de vaak wonderlijke werkingen van de natuur te laten ontdekken, zijn nauwelijks vuurproefjes te vinden. En als ze er al in staan, dan toch altijd vergezeld van de wijze raad er de hulp van een volwassene bij in te roepen.

Als we naar dat gebeuren kijken zouden we zelfs de indruk kunnen krijgen een omgekeerd spiegelbeeld te zien van hoe de mens ooit zelf geleerd heeft om met vuur om te gaan. Vuur overkwam de mens en toen pas leerde hij al wat nodig was om er gecontroleerd mee om te gaan. Kinderen nu leren eerst allerlei spelregels, vaak zelfs zonder dat er enig vuur van betekenis in de buurt is. Pas daarna leren ze om zelf vuur aan te steken en te stoken. En dat terwijl vuur als spontaan en natuurlijk gegeven het ook in zich heeft ons te lokken, aan te trekken, uit te dagen; terwijl het als het ware vraagt om door ons beheerst te worden.
[terug]


Heilig vuur

Vuur blijkt dus sinds mensenheugenis zeer in te grijpen en diep door te werken in het samenleven van mensen. Het heeft er als ware het een soort brandmerk zijn stempel op gedrukt.

Daarbij is tegelijkertijd steeds het veelzijdige gezicht van vuur manifest en voelbaar aanwezig geweest. Het is aantrekkelijk en afwerend tegelijk. Vuur lijkt op één en hetzelfde moment iets te zeggen als: 'Kom bij me' en 'Raak me niet aan'.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen, dat vuur door de tijd heen op allerlei plaatsen en in allerlei omstandigheden door mensen in relatie is gedacht met al datgene wat zij in en rond het leven als het goddelijke beleefd hebben. Al was het misschien alleen maar om hun angst voor het onbegrijpelijke vuur een plaats te geven, is vuur telkens weer geworden tot een beeld van het heilige, van het goddelijke geheim, dat mensen evenzeer aantrekt en tegelijkertijd met huiver vervult. Een geheim, dat men nooit helemaal kan vatten en waar men steeds alleen maar omheen kan cirkelen als rond een leegte, die voortdurend om vulling, woorden, beelden, handelingen en namen vraagt.

Vuurgoden en -godinnen
In alle tijden en binnen uiteenlopende culturen over de hele wereld komen we dan ook tegen, dat vuur gepersonifieerd wordt voorgesteld. Overal treffen we vuurgoden en vuurgodinnen aan met vaak wonderlijke en voor ons vaak nauwelijks uit te spreken namen zoals bijvoorbeeld: Agni, Amaterasu, Bahram, Gibil, Hephaistos, Hinokagoetsoetsji, Hestia, Huêhuêteotl, Loki, Nusku, Pele, Suli, Surya, Vesta, Viracocha, Vulcanus, Xiuhtecuhtli. Daarbij valt het op dat de vuurgodinnen op één of andere manier allemaal iets te maken hebben met het huis, de huiselijke haard en het huishouden. De mannelijke vuurgoden moeten we veelmeer zoeken in kringen van smederijen waar vulkanische vonken en goddelijke bliksems in het rond vliegen, en van – zogezegd – de wapenhandel avant la lettre.

Hoe verschillend dergelijke goddelijke personificaties van vuur verder ook mogen zijn, in de verhalentradities waarmee ze veelal zijn omgeven, komt in de meeste gevallen in enige vorm één bepaald verhaal voor. Elk van die verhalen vertelt dan op eigen wijze hoe ergens in den beginne of in de loop van de tijd vuur meestal als een weldaad onder de mensen is gekomen. Soms vertellen ze over de gave van het vuur door een god, maar niet zelden zijn het heroïsche verhalen, die niet vrij zijn van sluwe list en bedrog en met dierlijke of menselijke helden in de hoofdrol. Voor ons is van die verhalen waarschijnlijk het best bekend het verhaal uit de Griekse mythologie over Prometheus, die op de berg Olympus het vuur van de zon steelt en het onder de mensen verdeeld.

Vurige gebruiken
De aandacht voor dergelijke goddelijke figuren ging ook overal gepaard met rituele gebruiken en handelingen, waarin vuur een centrale plaats heeft.

Zo vinden we op verschillende plaatsen speciale tempels voor vuur. Brandend gehouden op een altaar zetelde het vuur daar en werd het bewaard door mannen of vrouwen met een priesterlijke status, die speciaal tot die taak geroepen waren. Het waren veelal ook de plaatsen waar offers werden gebracht om de verwoestende kracht van vuur gunstig te stemmen. Door middel van verbranding werden daartoe allerlei zaken geofferd: voedsel, dranken, vee, delen van de oogst en zelfs kinderen.

Het hebben van vuur was vaak op zich al een aanleiding om feest te vieren. Dat gebeurde dan gewoonlijk met behulp van grote vuren op cruciale momenten in het jaar, zoals de wisseling van de seizoenen. Het stoken van deze vuren was niet altijd alleen maar een uiting van vreugde, maar vaak ook verbonden met de reinigende en zuiverende werking die vuur heet te hebben en gericht op het deel krijgen aan de (nieuwe) kracht die in vuur besloten ligt. Om er deel aan te krijgen keek men zolang in de vlammen totdat men in soort trance raakte, of er werd nadat het vuur gedoofd was, over de nog gloeiende as heen gesprongen. Resten van dergelijke vurige rituelen zijn nog te vinden in de paasvuren en in de St.-Jansvuren, die ook in bepaalde streken van ons land nog jaarlijks gestookt worden.

Een verder gebruik dat we hier ten slotte niet onvermeld willen laten, is het ritueel van de vuurloop. Als ritueel waarbij mensen over een vurige ondergrond lopen, maakte het ooit deel uit van allerlei initiatieriten. De bedoeling ervan was om de lopers kennis te laten maken hun eigen innerlijke kracht. Door middel van suggesties aan zichzelf en door het visualiseren van de eigen stevigheid, raakte men er van overtuigd dat het vuurbed, waar men overheen zou lopen, geen kwaad kon doen. Men liep dus als het ware op zijn eigen innerlijke overtuigingskracht, een kracht die ook op andere punten in het leven heilzaam heette te werken. Dit 'lopen op hete kolen' heeft overigens de afgelopen tijd weer enige belangstelling gekregen, toen het door onze vaderlandse 'positief-denken-goeroe' Emiel Ratelband in zijn heilsboodschap 'Tsjaka' werd opgenomen.
[terug]

Bijbels vuur
De godsbeelden, die we vanuit de bijbelse traditie van het oude en het nieuwe testament overgeleverd hebben gekregen, staan ver van de voorstellingen die dergelijke vuurgoden en vuurgodinnen vergezellen. Toch is de bijbel nu ook weer niet zo wereldvreemd en zo weinig kind van de tijd waarin de verhalen zijn ontstaan, dat vuur er in godsdienstig opzicht geen enkele rol in gespeeld zou hebben. Het tegendeel is eerder waar. Naast het feit dat er in bijbel sprake is van het gebruik van vuur in het leven van alle dag en van vuursituaties in tijden van oorlog, komen we er ook regelmatig vuur tegen in relatie met het goddelijke.

Brandoffers
In het godsdienstig leven in de bijbel neemt de tempel van Jeruzalem een dominante plaats in. Dat was de enige plek voor de eredienst. En daar stond ook het altaar, waarop het vuur brandde dat nodig was om offers te voltrekken. Met dat vuur werd een deel de offergave verbrand, terwijl een ander deel bereid werd om te eten hetzij door de brenger van het offer, hetzij door de priester. Het was in zekere zin 'heilig' vuur dat volgens de overlevering ooit door God zelf ontstoken was (Leviticus 9,24) en dat sindsdien altijd brandende gehouden moest worden (Leviticus 6,9.17). En op verschillende plaatsen wordt er op gewezen, dat dit de enige plek is waar geofferd mag worden en dat elke afwijking daarvan zwaar gestraft zal worden.

Kunnen we bij brandoffers misschien nog gewoon aan vuur denken, anders wordt het, als vuur en alles waar dat voor staat, wordt tot beeld van hoe men Gods wezen en handelen voorstelt. Dan komt vuur te staan voor de aanwezigheid, de macht en de toorn van God.

Aanwezigheid
Waarschijnlijk de bekendste voorbeelden van vuur in relatie tot Gods aanwezigheid zijn de brandende braambos op het moment dat Mozes goddelijk zijn taak krijgt opgelegd (Exodus 3,2), en de lichtende vuurkolom, die het volk 's nachts de weg wijst gedurende veertig jaar woestijn (Exodus 13,21). Maar ook als het volk in dezelfde woestijn zijn leefregel, de Wet, ontvangt daalt God in vuur op de berg neer (Exodus 19,18) en is er sprake van een verterend vuur als beeld van God (Exodus 24,17).

Maar ook de profeet Ezechiël ziet in zijn eerste visioen goddelijk vuur (Ezechiël 1,4), terwijl Daniël eveneens in een visioen God ziet zitten op een troon van vuur met vurige wielen, waar aan alle kanten vuur uit komt (Daniël 7,9-10).

Macht en toorn
Waar vuur teken is van Gods aanwezigheid, staat het meestal in een gunstige context voor degenen die ermee te maken krijgen. Maar er is ook te lezen over momenten dat vuur duidelijk ten kwade wordt aangewend. Vuur wordt dan het zichtbare teken van de macht en vooral de toorn van de God van Israël.

Op verschillende plaatsen in de Psalmen wordt de macht en met name de toorn van God zo ongeveer voorgesteld als een vulkaanuitbarsting van de eerste categorie met spuitend vuur en gloeiende kolen (Psalm 18,9-13). En ook de profeten nemen op dat punt geen blad voor de mond. Men spreekt bijvoorbeeld over brand die door niemand geblust wordt (Jeremia 21,12), over God die komt in een vuurgloed om zijn woede met vuur en zijn toorn met laaiende vlammen te koelen (Jesaja 66,15) of over een gloeiende, vurige zuivering zoals men met goud en zilver doet (Maleachi 3,3).

Ook hier zijn er teksten die ons mogelijk meer bekend zijn. Zo kunnen we lezen, dat het paradijs na de zondeval door God wordt afgegrendeld middels een engel met een vlammend zwaard (Genesis 3,24). En bij het verhaal over Sodom en Gommora hebben we – al dan niet mee gevoed door de actualiteit van het moment – ongetwijfeld beelden bij het feit dat God er niet voor terugdeinst om de stad te straffen met zwavel en vuur met als gevolg dat de rook van verre al te zien was (Genesis 19,23-28).

Reiniging
Letterlijk en figuurlijk vervult vuur nog een verdere functie in zowel het oude als het nieuwe testament, namelijk die van zuivering en van reiniging. Zo valt er in het oude testament te lezen, dat de kleren van melaatsen letterlijk verbrand moeten worden (Leviticus 13,52-57). En hetzelfde moet gebeuren met de resten van offers om niet ontheiligd te raken (onder andere Exodus 12,10). Maar ook overdrachtelijk wordt daarbij aan vuur gedacht. Alles wat op één of andere manier onrein of zondig wordt geacht, zal op enigerlei wijze met de reinigende en zuiverende kracht van vuur te maken krijgen. Zo worden bijvoorbeeld de onreine lippen van de profeet Jesaja met vurige kolen gezuiverd, voordat hij Gods spreekbuis kon zijn (Jesaja 6,7). En ook in het nieuwe testament worden bijvoorbeeld een onvruchtbare boom (Matteüs 3,10) en even onvruchtbaar onkruid in het vuur geworpen om voorgoed vernietigd te worden (Matteüs 13,30-40).

Het einde der tijden
Dergelijk spreken lijkt vooruit te lopen op die passages uit de bijbel, die vooruit kijken naar het einde der tijden. Dan barst bij wijze van spreken het vuurwerk pas goed los. De ene keer meer dan de andere keer wordt er dan zo ongeveer een complete wereldbrand geschilderd om op een goddelijke manier nog een keer het kaf van het koren en de bokken van de geiten scheiden en om nog een keer de balans tussen het goede en het kwade op te maken. Er is er sprake van dat een derde deel van de aarde, van de bomen en van al het groene gras zal verbranden (Apocalyps 8,7); er treden paarden en ruiters op met vuur en rook en zwavel uit hun bek (Apocalyps 9,17) en getuigende profeten die bij tegenspraak ook zo ongeveer vuur zullen spuwen (Apocalyps 11,5). En zo rijgen allerlei vuur-uitspraken zich aaneen tot een beeld van uiteindelijk zuiverend en vernietigend hellevuur, waar zelfs Jeroen Bosch met zijn schilderingen van helse taferelen bij in de schaduw kan komen te staan. En we hoeven ons in die lijn ook niet te verbazen over ideeën van hel en vagevuur, die mede hier ergens hun wortels moeten hebben.
[terug]

En als je geluk had
Een dergelijke veelheid en geschakeerdheid van 'vuurbeelden', als verwoordingen van fundamentele ervaringen en belevingen in een mensenleven, kan bijna niet anders dan ons vreemd en archaïsch, en misschien wel achterhaald in de oren klinken. Vuur lijkt nauwelijks meer een realiteit. 'En als je geluk had, ging je samen naar de brand', zingt het liedje toch. Om echt open vuur mee te maken met je blijkbaar geluk hebben, want in onze moderne samenleving komen we er heus niet zo gemakkelijk meer mee in aanraking. Zonder dat het echt weg is, is er toch nauwelijks meer open vuur te zien. Het lijkt wel verdwenen en waar we er dan soms wel mee te maken krijgen, klinken tegelijk ook allerlei waarschuwingen en verboden.

En toch... Bij bijzondere gelegenheden willen we het toch wel weer een keer echt gezellig maken met behulp van kaarsen en de open haard. Vuur blijft blijkbaar zijn eigen taal spreken en zijn eigen kracht uitstralen. Ook tegen de verdrukking in.

 

[Dit artikel is van de hand van Peter Franken, destijds redactielid van School en Godsdienst, verschenen in jaargang 1999, nummer 2-3].

 

GEBRUIKTE LITERATUUR

M. Ardley, Verrassende proeven met warm en koud. Standaard, Antwerpen, 1992.

A. Bertholet/H. Freiherr von Campenhausen, Van Goor's Encyclopedisch Woordenboek der Godsdiensten. Van Goor Zonen, Den Haag, 1970.

A. Bon, Vuur. EPN, Houten, 1998.

Hugo Brandt Corstius, Water en vuur. Aramith, Haarlem, 1995.

P.B. Clarke, Godsdiensten van de wereld. Van Holkema & Warendorf, Houten, 1993.

D. Dixon, Kracht en macht van de natuur; De aarde, wonderlijk en geheimzinnig. The Reader's Digest, Amsterdam, 1998.

J. Dudman, Vulkanen. Wolters-Noordhoff, Groningen, 1995 (= Kijklijster 1995/3).

A. Eliot e.a., Mythen van de mensheid. Amsterdam, Kosmos, 1977.

Feit en fantasie. The Reader's Digest, Amsterdam, 1989.

J. Goudsblom, Vuur en beschaving. Meulenhof, Amsterdam,1992.

H. van Hattum, De kinderen van vuur en wind. DPC, z.j., Breda.

H. van Hattum, Kinderen van vuur en wind; Een Pinksterspel rond twee oerelementen. In: School en Godsdienst 51(1997)2, p. 32-36.

M. Hoffman/J. Ray, Aarde, vuur, water, lucht. Christofoor, Zeist, 1995.

A. Huyser, De oerelementen in ons leven; Aarde, water, vuur, lucht en ether. Ankh-Hermes, Deventer, 1995.

In wolk en vuur. Themanummer: Jota (nr. 1) KBS/VBS, 's-Hertogenbosch/Leuven, 1989.

J. Kleijntjens/H. Knippenberg, Van goden en helden; Mythen en sagen van Grieken, Romeinen en Germanen. Wolters, Groningen/Djakarta, 1957.

F. König, Der Glaube der Menschen. Herder, Wien/Freiburg/Basel, 1985.

Lemma: Feuer. In: Lexikon für Theologie und Kirche. Herder, Freiburg, 1960.

Lemma: Vuur. In: Bijbels Woordenboek. Romen en Zonen, Roermond/Maaseik, 1954-1957.

Lemma: Vuur. In: M. Lurker, Woordenboek van bijbelse beelden en symbolen. KBS, Boxtel, 1975.

Lemma: Vuur; vuurgeesten; vuurman. In: Grote Winkler Prins. Elsevier, Amsterdam/Brussel, 1974.

Lemma: Vuur; vuurkolom; vuuroven. In: B. Reicke/L. Rost, Bijbels-historisch Woordenboek. Spectrum, Utrecht, 1970.

P. Lorie, Volksgeloof; Boek van magische kennis. Elmar, Rijswijk, 1993.

J.W. Lyons, Vuur; De beheersing van het vlammenspel. Wetenschappelijke Bibliotheek, Natuur en Techniek, Maastricht/Brussel, 1988.

W. Metz (Hrg.), Handbuch Weltreligionen. Brockhaus Verlag, Wuppertal, 1983.

G. Parrinder, De grote godsdiensten. Amsterdam Boek, Amsterdam, 1972-1974.

E. Robinson, Het oorspronkelijke visioen; Religieuze ervaringen in de kinderjaren. Gottmer, Haarlem, 1979.

G. Schwab, Griekse mythen en sagen. Spectrum, Utrecht/Antwerpen, 1964.

A. Spring/F. Abel/G. Brunamontini, Flamma Magica. Europoli & Eurolex, Hersching, 1992.

K. Taylor, Warmte. Casterman, Doornik, 1993.

Het verhaal van water en vuur (project). Werkgroep Katechese Rotterdam/Katechetisch Centrum Eindhoven, z.j.

B. Voorhoeve, Beelden als inspiratiebron; Een werkboek. Christofoor, Zeist, 1996.

J. Weitjens, Vuur, element van leven. In: Werkcahiers voor vieringen met kinderen (1998)2, p. 1-9.

 

Terug naar overzicht