VITABERNA

 

 


Pastoraal atelier

Levoland 

Relimarkt

Bronnenmagazijn

 

IN VUUR EN VLAM

De goden van het vuur
Vuur als vriend: licht en warmte
Vuur maken en bewaren: vroeger
Vuur maken en bewaren: nu
Vuur: wat is er voor nodig?
Verbranding
Vlammen
Vuur bestrijden
Brandpreventie
Hemel- en aardvuur
Spelen met vuur

De goden van het vuur
Vuur is al sinds mensenheugenis een fascinerend verschijnsel geweest. In vroeger tijden joeg vuur mensen angst aan: ze snapten niet wat het was en brachten het in verband met goden. Geen wonder dat mensen offers voor de goden brachten om hen gunstig te stemmen. Ze vertelden er elkaar verhalen over. Verhalen over de god Zeus, die zijn bliksem naar beneden slingerde als hij kwaad was. Verhalen over de god Vulcanus, die een smederij had diep in de vulkanen, waar hij wapens voor de goden maakte. Zo ontstonden veel verhalen over goden en vuur.
De Griekse goden van het vuur waren Hestia (godin van de huiselijke haard) en Hephaistos (patroon van o.a. de smeden). Hephaistos – zoon van god Zeus en godin Hera – groeide in het oude Griekenland uit tot de god van het vuur, voorgesteld als een kreupele man met baard. De Romeinse evenknie was Vulcanus, de god van het (verwoestende) vuur, Zijn werkplaats bevond zich onder de Etna en andere vulkanen. Ook Hestia had haar Romeinse evenbeeld: Vesta, de haardgodin. Om het haardvuur te verzorgen en te bewaren traden jonge vrouwen voor dertig jaar in dienst van haar tempel. De straf die deze ‘Vestaalse maagden’ ten deel viel wanneer ze in gebreke bleven, was onbarmhartig: een levend graf was hun gruwelijk lot.
In een Griekse mythe wordt verteld, hoe Prometheus het vuur van de goden stal en onder de mensen bracht.

Toen de wagen van de zonnegod Helios voorbijreed, stal Prometheus met een licht ontvlambare vlasstengel het vuur en ijlde met deze fakkel van de berg Olympus naar de aarde om het vuur onder de mensen te verdelen en te leren gebruiken. Woedend stuurde oppergod Zeus de beeldschone Pandora naar de aarde met een argeloos geschenk: een fraaie doos, waaruit echter allerlei ziekten en rampen te voorschijn kwamen. De legendarische held zelf – kleinzoon van Oeranos, de hemelgod – werd voor zijn vermetele diefstal wreed door de goden gestraft: hij werd vastgeklonken aan een rots op een bergtop en iedere dag kwam een arend het aangegroeide deel van zijn lever wegpikken. Totdat een andere held, Herakles, hem na eeuwen uit zijn ellendige positie kwam bevrijden.

Een oud verhaal? Jawel, maar ook nu nog wordt het vuur weliswaar niet van de goden gestolen, maar wel onder de mensen gebracht: om de vier jaar wordt de Olympische vlam ontstoken (door zonlicht te concentreren op een fakkel) in de Griekse plaats Olympia (op de Peloponnesos), waar de ruïnes zijn van een tempel die gewijd was aan oppergod Zeus (die zijn woonplaats op de berg Olympus had). Met dit vuur (brandende fakkel) wordt tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen de Olympische vlam ontstoken en kunnen de Spelen beginnen.
[terug]

Vuur als vriend: licht en warmte
Vuur is sinds mensenheugenis altijd van levensbelang geweest. ‘Vuur’ betekent immers enerzijds licht, anderzijds warmte.
Licht om de wilde dieren ’s nachts op afstand te houden. Licht van (oude, houtgestookte) vuurtorens als oriëntatiepunten voor de schepen van de zeevaarders. Licht van fakkels om ’s avonds en ’s nachts holen, grotten en de ruimten in het kasteel te verlichten, om het donker van de avond in de huizen te verdrijven en (vroegere) gaslampen om de straten te verlichten. Grote vuren met Pasen, de jaarwisseling of bevrijdingsfeesten om boze geesten te weren.
Warmte om kookvuren te maken voor het eten en vlees te roosteren. Geroosterd vlees, dat langer goed bleef en waarmee men een voorraad kon aanleggen, Warmte van de vuurgestookte open haard om de kou uit hut of grot te verjagen. Warmte om vuren te stoken waarmee speerpunten scherper konden worden gemaakt. Warmte om ovens op te stoken, waarin lemen potten konden worden gebakken.
Vuurbron van de eerste orde is en blijft de zon: nog immer de grootste vuurbron die we kennen, de motor van alle energie op aarde. Binnen in de zon – de kern van de zon – is het 15.000.000 (15 miljoen) graden Celsius. Aan de buitenkant is de zon 6000 graden heet! En geleerden hebben uitgerekend dat het nog zeker vijf miljard jaar zal duren, voordat het licht en de warmte van de zon ophouden. De warmte van de zon kunnen we veel manieren gebruiken. Dát de zon een enorme vuurbron is kunnen we laten zien met vergrootglas. Met een vergrootglas kun je de zonnestralen bundelen. Richt de gebundelde lichtstraal op een stukje papier of tondel (licht ontvlambare mosjes, droge grasjes enz.), blaas stevig als er rook ontstaat en je hebt een vuurtje!
[terug]

Vuur maken en bewaren: vroeger
Vuur bestaat al heel lang, veel langer dan in de Griekse en Romeinse cultuur. Er zijn vuurplaatsen gevonden die minstens een half miljoen jaar oud zijn. Mensen hebben dus al honderdduizenden jaren vuur gemaakt en gebruikt. Maar vuur was niet altijd zomaar bij de hand: in vroeger tijden wist men niet hoe men vuur moest maken en bewaren.
Hoe men vroeger vuur maakte, is niet precies bekend. Misschien was het de bliksem, lava of de zon die droog gras in brand zette, waarna mensen de aangename warmte voelden van de smeulende resten, smulden van het geroosterde vlees van aan de brand ten prooi gevallen dieren, en wat smeulende resten mee naar hun hut/grot namen voor licht en warmte.
Hoe dan ook: om vuur te maken zijn drie dingen nodig: brandbare stof (kolen, gas, papier, hout), zuurstof, ontbrandingstemperatuur (warmte). Als één van deze dingen ontbreekt, is vuur maken niet mogelijk. Vroeger was het maken van vuur niet zo gemakkelijk en vooral een tijdrovend klusje.

Vuurboor
Om vuur te maken wreef men verschillende stukken hout langs elkaar. Daardoor ontstaat een soort ‘poeder’. Door de wrijvingshitte begint het poeder te smeulen. Als je dan gaat blazen, gaat de massa (poeder) smeulen, tondel (licht ontvlambare droge mosjes, droge bladeren, boomschors, tondelzwam of iets dergelijks) erbij, blazen en tenslotte komen er kleine vlammetjes en voilà: er ontstaat een klein vuurtje, dat met kleine en steeds grotere takjes kan groeien tot een echt vuur. Ook gebruikte men een zogenaamde vuurboor om vuur te maken. Plat stukje hout op de grond, klein putje maken in het hout, puntig stokje tussen twee handen en draaien maar: door de wrijvingshitte gaat het hout smeulen, tondel erbij enz., totdat er kleine vlammetjes ontstaan. Belangrijk is dat er voldoende druk wordt uitgeoefend en dat de boor niet stilvalt. Daarom moet de boor zo lang mogelijk gemaakt worden (de handen zakken tijdens het draaien!). Vandaar dat men de boor vaak aandreef met een pees.

Vuurslag
Een andere manier van vuur maken was de ‘vuurslag’. Door met een vuursteen langs een slagijzer te slaan, komen er hele kleine ijzerdeeltjes van de vuurslag los. Deze vonkjes vallen op de tondelzwam die gaat smeulen/branden. Blazen, kleine takjes erbij en… er ontstaat een klein vuurtje.

Wanneer je eenmaal vuur had gemaakt, was het natuurlijk belangrijk om dat vuur brandend te houden: anders kon je telkens weer opnieuw beginnen aan dit tijdrovend en vermoeiend klusje. Daarom maakte men gebruik van ‘vuurpotten’, waarin het vuur zorgvuldig werd bewaard. Er moest altijd iemand aanwezig zijn bij zo’n vuurpot, om het vuur te ‘voeden’ en te zorgen dat het niet uit ging. Het bewaken van het vuur was dus heel belangrijk. Zo had de Romeinse godin Hestia jonge vrouwen in dienst die de taak hadden het haardvuur te verzorgen en te bewaren: de Vestaalse Maagden. In de Middeleeuwen bedekte men het vuur ’s nachts met een laagje as, zodat het bleef smeulen en ’s morgens weer aangewakkerd kon worden. En als het desondanks toch was uitgegaan, ging men naar de smid voor gloeiende kolen of klopte men bij de buren aan voor wat smeulende resten!
[terug]

Vuur maken en bewaren: nu
Het licht en de warmte van het vuur hebben we ook vandaag de dag nog steeds nodig. Ook vandaag de dag zijn er nog altijd drie dingen nodig om vuur te maken: brandbare stof, zuurstof, ontbrandingstemperatuur (warmte). Maar we doen dat natuurlijk niet meer op dezelfde manier als vroeger, met een vuurboor of vuurslag.

Lucifers
Tegenwoordig hebben we lucifers en (wegwerp)aanstekers om vuur te maken (en te bewaren). En het leuke daarvan is, dat die eigenlijk hetzelfde werken als de vuurboor of de vuurslag! Hoe dat zo? Wel, de werking van een lucifer berust feitelijk op wrijving (net zoals de vuurboor) en de werking van een aansteker gaat feitelijk terug op de vuurslag.
Ze zeggen dat de Chinezen heel lang geleden de lucifer hebben uitgevonden: kleine staafjes dennenhout met zwavel erop (‘dompellucifers’ genoemd, omdat je ze moest dompelen in zwavelzuur, waardoor ze ontvlamden/ontbrandden). Heel lang werden lucifers op deze manier gemaakt. Maar ze waren natuurlijk niet erg veilig, omdat zwavelzuur een gevaarlijk goedje is: het is heel giftig en het ontbrandt gemakkelijk. Daarom werd naar een andere manier van lucifers maken gezocht. In plaats van zwavel ging met het proberen met fosfor. Lucifers die daarmee werden gemaakt, kon je aansteken op een muur of steen, Maar ook fosfor is een gevaarlijk goedje. Dus probeerde men nóg veiliger lucifers te maken. Uiteindelijk wist men in Zweden (1855) lucifers te maken die wél veilig waren, door de ontbrandingsstoffen te scheiden: één mengsel op de kop en het andere op het ruwe strijkvlak. Zo ontstond de "veiligheidslucifer" (Lundström: ‘säkerhets tandsticker’: kaliumchloraat op de kop, fosfor op strijkvlak van het doosje). Veel gemakkelijker dan de vuurboor, maar nog steeds gebaseerd op het principe van wrijving, die warmte veroorzaakt en vuur maakt! En nog steeds zijn er drie dingen voor nodig om met een lucifer vuur te maken: brandbare stof, zuurstof en ontbrandingstemperatuur (warmte).

Aanstekers
En aanstekers? Ook die gaan weer terug op het maken van vuur met vuurslag. Een aansteker is een klein buisje met vloeibare brandbare stof (meestal gas, maar benzine kan ook) dat door middel van een draaibaar vuursteentje kan ontbranden. Er zijn ook aanstekers die niet met een vuursteentje werken, maar met een drukknopje waarbij een elektrische vonk het gas laat ontbranden. (Dat zijn aanstekers met een Piezo-element.) Een aansteker gebruik je om, zoals het woord zelf al zegt, iets mee aan te steken, bijvoorbeeld een gasfornuis in de keuken.
Met lucifers en aanstekers kunnen we ook vandaag de dag licht en warmte maken. Warmte voor onze gasfornuizen in de keuken om eten te koken. Om de CV-ketel te stoken om de kou uit onze huizen te jagen. Om met een gasgeiser het koude leidingwater te verhitten. Smeulende kolen van de barbecue in de zomer. Hoogovens om ijzer te verwarmen en staal te maken, ijzer te smeden in de smidse, glasovens om glas te maken, steenovens om potten en stenen te bakken waarmee we huizen kunnen bouwen. Om ovens te stoken waarin de bakker brood kan bakken. Of verbrandingsovens om vuil en afval te verbranden. Om de ovens te stoken waarmee elektriciteit kan worden opgewekt voor tv, computer, koelkast enz.
Om het vuur te bewaren, hebben we tegenwoordig (helaas!) geen Vestaalse maagden meer nodig: lucifers stoppen we gewoon in een doosje en een aansteker in onze broekzak… Niemand die daar bij hoeft te blijven om het te voeden en te bewaken…

[terug]

Vuur: wat is er voor nodig?
Voor het maken van vuur zijn drie dingen nodig: brandbare stof, zuurstof, ontbrandingstemperatuur (warmte). Alle drie elementen zijn nodig: haal je er eentje weg, dan kun je geen vuur maken of gaat vuur dat brandt, langzaam uit. Brandbare stof kan van alles zijn: kolen, olie, hout, papier enz. Brandt alles dan? Nee! Water bijvoorbeeld brandt niet, ook al zeg je wel eens: "Ze keken me aan alsof ze water zagen branden". Sommige stoffen branden eerder dan andere: fosfor (van het Griekse woord ‘phosphorus" dat ‘lichtdrager’ betekent, net als het Latijnse ‘lucifer’) bijvoorbeeld ontbrandt vrijwel meteen als het in aanraking komt met lucht, en wordt daarom altijd onder water of olie bewaard. Plastic, papier en hout branden al heel snel, maar ijzer en steen…? Dit alles heeft te maken met de ontbrandingstemperatuur (warmte): de temperatuur die nodig is om een bepaalde stof te laten ontbranden. Stoffen die snel ontbranden zijn bijvoorbeeld benzine en terpentine. Daar moet je dan ook altijd voorzichtig mee zijn, en zeker geen vuur gebruiken. Voorbeeld: benzinepomp of fles terpentine. En zuurstof? Zonder zuurstof kun je geen vuur maken, en blijft vuur ook niet branden.
[terug]

Verbranding
Brandbare stof, zuurstof, warmte… drie dingen die je nodig hebt om vuur te maken. Maar wat gebeurt er eigenlijk precies bij vuur?
Elke stof bestaat uit héle kleine deeltjes (moleculen). Die deeltjes zitten niet stil, maar ze bewegen. Hoe warmer de stof wordt, hoe sneller ze gaan bewegen. Als de snelheid hoog genoeg is, kunnen ze zich losmaken en binden aan deeltjes van een andere stof. Er ontstaat dan een andere stof (die je vaak niet kunt zien: gas). Voorbeeld. In hout zit(ten) veel koolstof(deeltjes). Als je hout aansteekt met een lucifer, worden de koolstofdeeltjes in het hout warmer en warmer en verbinden zich met deeltjes zuurstof uit de lucht. Zuurstofdeeltjes en deeltjes brandbare stof geven een vlam en veranderen in koolzuur, rook, roet en waterdamp. Dit (reactie)proces noemen we ‘verbranding’. Tijdens dit proces komt licht en warmte vrij. De warmte kun je voelen (maar niet zien!), de gloeiend hete deeltjes zie je als vlammen (licht); rook, roet en waterdamp kun je zien.
Stoffen die verbranden, veranderen dus in een andere stof. Wanneer je hout of papier verbrandt, blijft er geen hout of papier mee over, maar alleen as. Als je een kaars aansteekt, smelt het kaarsvet en blijft er niets over dan een klein stukje zwart lont. Het hout, papier, kaars gaan letterlijk "in rook op".

Proefje met waxinelichtje in potje. Lichtje aansteken, potje overheen zetten. Na enige tijd dooft het lichtje. Waarom? Het vlammetje heeft alle zuurstof die in het potje zit verbruikt. Zonder zuurstof geen vuur, dus gaat het lichtje uit. Als je het waxinelichtje daarna weer aansteekt en het (koude) potje er weer overheen zet. wordt het potje van binnen een beetje wazig: er gaan druppeltjes water aan de binnenkant van het potje zitten (waterdamp).
Roet kunnen we ook zichtbaar maken: houd een bordje boven een kaarsje of waxinelichtje, en er ontstaat een klein zwart plekje (roet). [aardig: maak op een wit bord een gezichtje van roet!].
Zo ook rook: blaas waxinelichtje (of kaars) uit, en er ontstaat een klein rookpluimpje.

[terug]

Vlammen
Vuur en vlammen horen bij elkaar. Maar wat zijn vlammen eigenlijk? En hoe "werken" ze? Laten we eens kijken naar een kaars. Mooi gezicht, dat vlammetje. Zo’n vlam is een ingewikkeld en interessant iets. Als je er goed naar kijkt, dan zul je zien je dat in een vlam verschillende kleuren zitten. Die verschillende kleuren hebben te maken met de temperatuur van de vlam. Vlak bij de lont/pit zit is de kleur blauw; daar is de meeste zuurstof aanwezig en is de temperatuur zo’n 1200-1400 graden. Iets daarboven is het wat minder warm (800-1000 graden). Daarboven wordt de kleur wit/geel is de temperatuur rond de 1200 graden. De hoogste temperatuur zit ‘om de vlam heen’: de onzichtbare vlammenmantel, waar de temperatuur oploopt tot zo’n 1400 graden.
Maar wat gebeurt er eigenlijk precies als je een kaars aansteekt? Door de hitte van de lucifer smelt er een beetje brandbare stof: kaarsvet (paraffine en stearine). In kaarsvet zit veel koolstof. De brandbare stof – het gesmolten kaarsvet – trekt via de pit (lont) omhoog. Het wordt zó heet, dat het verdampt in gas: op dat moment verbinden de deeltjes koolstof zich met deeltjes zuurstof uit de lucht (= verbranding). Er komt licht en warmte vrij en de deeltjes gaan gloeien: we hebben een vlam. Deeltjes die niet verbranden zien we als rook en roet: wanneer we de kaars uitblazen, daalt ineens de temperatuur in het verbrandingsproces en moeten de onverbrande deeltjes ergens heen: rook en roet.
De kaarsvlam houdt zichzelf in stand: door de warmte smelt en verdampt het kaarsvet. Deze verbranding levert weer nieuwe warmte voor het smelten van vet. En zo gaat het steeds maar door. Totdat het kaarsvet op is: dan dooft de kaars.

Vuur zonder vlammen
Als we aan vuur denken, denken we meestal meteen ook aan vlammen. Maar vuur zonder vlammen kan ook! We noemen dat ‘smeulen’. Denk bijvoorbeeld maar eens aan een barbecue: je ziet vuur, voelt de warmte, maar ziet geen vlammen. Ook bij een sigaret of sigaar zie je geen vlammen, maar wel vuur. En na een bos- of heidebrand kan de grond maandenlang blijven ‘smeulen’. 

[terug]

Vuur bestrijden (= vuur als vijand)
heidebranden. Vuur is dan geen vriend meer, maar een vernietigende vijand. Een vijand die we moeten bestrijden. We spreken dan van brand(bestrijding).
Voor vuur zijn drie dingen nodig: zuurstof, brandbare stof en ontbrandingstemperatuur (warmte). Nu, als je vuur wilt uitdoven (het vuur blussen) zul je een van die drie dingen moeten uitschakelen. Met andere woorden: je kunt vuur uitmaken of blussen door a) te zorgen dat er geen zuurstof meer bij kan komen, b) de ontbrandingstemperatuur omlaag te brengen waardoor het vuur koelt of c) het vuur niet meer te voeden met brandbare stof.
Kleine branden kunnen we (gelukkig) vaak zelf blussen: een emmer water bij de barbecue, deksel op de pan als die in brand vliegt, blusdeken op keukenbrandje, schuim- of poederblusser bij kamerbrandje enz. Maar bij groter vuur moet de brandweer in actie komen. De brandweer gebruikt verschillende manieren om een brand te blussen, mede afhankelijk van het soort materiaal (brandbare stof) dat in brand staat en waar de brand uitgebroken is.
[terug]

Brandpreventie
Brand kan ontstaan door verschillende oorzaken. Voorbeelden: televisie die te lang op de stand-by stand staat, barbecue aanwakkeren met fles spiritus, kaars te dicht bij de gordijnen, strijkijzer aan laten staan, gloeiend materiaal in pedaalemmer of container, spelen met lucifers, enz. Om brand te voorkomen, kunnen we verschillende dingen doen:

  • brand- of rookmelders in huizen/gebouwen aanbrengen: ze kunnen alarm slaan wanneer er rook of brand ontstaat;
  • poeder- of schuimblusser, brandslangen ophangen in huizen/gebouwen: ze kunnen bij beginnend brandje meteen gebruikt worden;
  • Sprinkler-installate aanbrengen: een ‘vaste’ brandblusinstallatie om een beginnende brand te blussen; maakt gebruik van sproeikoppen in het plafond;
  • aanbrengen van brandmelders, om snel contact te maken met de brandweerkazerne en de brand te melden.

[terug]

Hemel- en aardvuur
In de loop der eeuwen hebben mensen geleerd hoe ze vuur kunnen maken en bewaren, en hoe je het kunt bedwingen door het te doven en blussen. Maar niet alle vuur hebben we in de hand. Zowel uit de aarde als uit de lucht komt soms vuur, dat een vernietigende kracht heeft die we niet of nauwelijks kunnen temmen: magma van een vulkaan en de bliksem. Vuur zonder vlammen!
Binnen de aarde is het niet stil. Het rommelt en pruttelt overal. Onder de aardkorst zit gloeiend heet, gesmolten gesteente: magma. Als er ergens een zwakke plek of opening in de aardkorst zit, dan knalt dat magma met een geweldige kracht en met veel vuur en vlammen naar buiten. Dat gebeurt bij vulkanen: bergen met een opening in de top.
Ook in de lucht gaat het er soms onstuimig aan toe. Regelmatig botsen hoog in de lucht grote stapelwolken op elkaar, waarin miljoenen waterdruppels, hagelstenen en ijskristallen zitten. Door al dat gebots ontstaat er een heleboel spanning in die wolkdeeltjes en krijgen ze een elektrische lading. Die willen ze graag kwijt en op het moment dat dat gebeurt ontstaat er een gigantische vonk: de bliksem. De meeste ontladingen vinden in de wolk plaats, maar soms zoekt zo’n ontlading een weg naar beneden, naar de aarde: een bliksemflits, gevolgd door de knal van de donder.
[terug]

Spelen met vuur
Vuur is van wezenlijk belang voor ons leven op aarde: zonder vuur zou ons leven er totaal anders uitzien dan vandaag de dag. Maar behalve dat vuur levensnoodzakelijk is, kun je er ook een heleboel leuke en gezellige dingen mee doen. Denk aan vuurspuwers of dieren die door brandende hoepels springen. Of lekker warm bij de open haard thuis of bij de tuinkachel buiten. Of bij een kampvuur…Het opbouwen van een kampvuur of open haardvuur is een nauwgezet klusje, tenminste als je een goed vuur wilt krijgen en houden. Als er in het begin van het vuur nog weinig warmte is (= de ontbrandingstemperatuur is nog laag), kun je door te blazen extra zuurstof toevoegen. Gooi in het begin alleen maar droge, dunne takjes op het vuur, Ook als het teveel rookt, is er een tekort aan zuurstof (bijvoorbeeld doordat je het hout te dicht op elkaar gestapeld hebt) en helpt het wel eens als je blaast. Als het vuur eenmaal goed brandt, kun je er regelmatig en langzaam grotere stukken hout inschuiven. Zorg wel dat het hout droog is, want te nat hout koelt het vuur af, waardoor het onder de ontbrandingstemperatuur komt (voor hout ongeveer 400 graden Celsius). En tenslotte: hard hout (bv. eikenhout) brandt natuurlijk langer dan zacht hout (zoals hout van dennenbomen).
[terug]

(Bron: Cédicu-les over Vuur, zie http://laateenszien.cedicu.nl)

Terug naar overzicht