VITABERNA

 

 


Pastoraal atelier

Levoland 

Relimarkt

Bronnenmagazijn

 

CHANOEKA

Ieder jaar van de vijfentwintigste van de joodse maand Kislev tot de tweede van de maand Tevet (tweede helft december) vieren de joden gedurende acht dagen Chanoeka oftewel het Inwijdingsfeest of het Feest van de Lichten. Met Chanoeka herdenken de joden de herinwijding van de joodse tempel en speciaal de wonderlijke wijze waarop de menora – de zevenarmige kandelaar in de tempel- is aangestoken en blijven branden.
De herinwijding van de tempel in 165 voor Christus vond plaats nadat Judas Makkabeüs en zijn Makkabeeën de tempel op de heersende Syriërs heroverden. De Syriers hadden het heiligdom namelijk ontheiligd door er godenbeelden te plaatsen en door er varkens te offeren.
In de katholieke bijbel vertellen de twee Makkabeeën-boeken over die strijd tegen de Syriërs en ook over de herovering én de herinwijding van de tempel. Daar valt echter niets te lezen over het olie- of lichtwonder dat aan Chanoeka ten grondslag ligt. Dat verhaal is veel meer een (latere) rabbijnse legende om aan het feest een zwaarder fundament te geven en/of om het licht-ritueel van het feest te verklaren.
Chanoeka is een populair en vrolijk feest dat men is blijven vieren, ook al is er na de verwoesting in het jaar 70 na Christus geen tempel meer. Het feest hoort echter niet bij de echte hoogtijdagen van het jodendom, die hun wortels in Torah hebben. Het is een van de zogenaamde 'Half-feesten', die te maken hebben met een gebeurtenis uit de geschiedenis van het joodse volk. In dit geval is dat een gebeuren dat alles te maken heeft met geestelijke onafhankelijkheid en met het behoud van de eigen identiteit als godsdienstig volk tegen alle (vijandelijke) stromen in.

Het verhaal
Antiochus IV Epiphanes, de koning van Syrië, heeft de joden verslagen. Hij is een heel wreed heerser. Hij staat bekend als iemand die van alles doet, als het maar Grieks is. Hij verlangt dan ook van de joden dat ze zich aanpassen aan de Griekse gewoontes. De joden op hun beurt weigeren dat, waar ze maar kunnen.
Maar de koning wil de joden kost wat kost dwingen zijn wetten te gehoorzamen. Daarom vaardigt de koning een nieuw besluit uit. Vanaf dat moment is het de joden verboden uit de joodse heilige boeken te lezen. De koning verbiedt hen om tot hun God te bidden. Hij verbiedt hen ook om hun feestdagen en de sabbat te vieren, en om de voorschriften van hun godsdienst na te leven. Soldaten moeten controleren of de joden dit besluit van de koning gehoorzamen. En ze moeten ook Griekse altaren bouwen op de meest heilige plaats van de joden: de tempel van Jeruzalem. De bedoeling is de joden zo te dwingen om onreine dieren te offeren aan de Griekse god Zeus.
Syrische boodschappers trekken door het land om de joden op de hoogte te brengen van het nieuwe besluit. Als priester Matatias en zijn vijf zonen van het nieuwe besluit horen, besluiten ze dat er iets moet gebeuren. Ze vluchten de heuvels in. Daar brengen ze onder leiding van Judas (Makkabeüs), één van de vijf zonen, een klein legertje bij elkaar om te vechten voor de vrijheid van hun volk. Ze worden bekend als de Makkabeeën. Drie jaar lang vechten Judas en de Makkabeeën tegen de Syriërs. Dan, na drie jaar, op de vijfentwintigste van de maand Kislev, slagen ze er eindelijk in de Syriërs te verslaan. Opnieuw zijn ze dan vrij.
De Makkabeeën haasten zich naar hun heilige tempel in Jeruzalem. Ze halen er de Griekse altaren weg en alle onreine offerdieren. Maar de menora, de zeven-armige kandelaar die in de tempel altijd brandde, is gedoofd. Ze zoeken of ze de speciale zuivere olie kunnen vinden, die nodig is om de menora te laten branden. Want als ze zulke olie nieuw moeten maken, dan kost hen dat acht dagen. Maar hoe ze ook zoeken, alles wat ze vinden, is slechts één met het zegel van de hogepriester verzegeld kruikje met maar net genoeg speciale zuivere olie om de menora één dag te laten branden. Toch steken de Makkabeeën de menora aan. En ze zeggen een speciaal gebed. Zo bedanken ze God, dat hij hen geleid heeft naar het moment, dat ze nu weer vrij zijn.
En dan gebeurt er, volgens de legende, een groot wonder. De olie in het kruikje, die (dat) maar net genoeg is om de menora één dag te laten branden, blijkt voldoende te zijn om de menora acht volle dagen te laten branden. Net zo lang als ze nodig hebben, om nieuwe speciale zuivere olie voor de kandelaar te maken.
Vanaf dat moment in het jaar 165 voor Christus vieren de joden elk jaar vanaf de vijfentwintigste dag van de maand Kislev acht dagen lang Chanoeka of het Feest van de Lichten om het wonder van de olie bij de herinwijding van de tempel te herdenken.

Achtergrondinformatie
Chanoeka heet ook wel het Inwijdingsfeest. Deze naam heeft te maken met de gebeurtenissen die er mee herdacht worden: de hernieuwde inwijding van de tempel van Jeruzalem door Judas Makkabeüs in het jaar 165 voor Christus, drie jaar nadat hij door de Syriërs is ontwijd door de plaatsing van Griekse altaren en godenbeelden en door het offeren van onreine dieren. En die drie jaren zijn tegelijk jaren van verzet tegen pogingen om de joden hun (godsdienstige) eigenheid en cultuur af te nemen door hen zich te laten aanpassen aan de Griekse gewoontes van hun overheersers.
Daarnaast wordt Chanoeka ook wel het Feest van de Lichten genoemd. Deze tweede benaming dankt het aan zijn voornaamste kenmerk, namelijk het aansteken van acht lichten (olielampjes of kaarsen) op evenzoveel achtereenvolgende dagen. Dit ritueel steunt op een rabbijnse legende van het wonder van het kruikje speciale zuivere olie, dat tegen alle verwachtingen in voldoende blijkt om de menora, de zeven-armige kandelaar in de tempel net zolang te laten branden totdat er voldoende nieuwe kosjere olie is bereid.

Chanoeka is een feest dat men acht dagen lang vooral in huiselijke kring viert. De kern van de viering is het ritueel van het ontsteken van licht: acht dagen op een rij, elk dag één licht meer. Centraal daarin staat een speciale meer-armige kandelaar: de 'chanoekija'. Die is niet zeven-armig zoals de menora in de tempel, maar voor dit feest heeft die acht armen: één arm voor elke dag dat de gevonden olie bij de herinwijding van de tempel is blijven branden. Soms zit er ook nog een negende arm aan de kandelaar. Die is dan voor de lichtbron waarmee de eigenlijke Chanoeka-lichten elke dag worden ontstoken. Daarom wordt die wel 'helper' of 'sjammasj' genoemd.
Samengekomen rond de eigen 'huis-chanoekija' (kinderen hebben vaak een eigen kandelaar) ontsteekt de jongste huisgenoot op de eerste dag van Chanoeka na zonsondergang het eerste, meest rechtse licht op de kandelaar (rechts is de goddelijke kant en van rechts naar links is bovendien de schrijfrichting in het Hebreeuws). De daarop volgende dagen volgt naar links toe elke dag één licht meer totdat op de laatste dag van Chanoeka alle lichten op de chanoekija branden. Daarbij zegt men dankgebeden voor wat eens gebeurd is en men zingt samen Chanoeka-liederen. Men laat de lichten elke dag minstens een half uur schijnen en in die tijd wordt in huis niet gewerkt.
Na het aansteken van de lichten krijgt de chanoekija een plek, waar iedereen - binnen én buiten - de lichten kan zien: voor het raam en/of in de buurt van de deur. Iedereen zal weten dat men Chanoeka herdenkt.
Aanvankelijk is Chanoeka een sober feest. Maar door de tijd is het een vrolijk familiefeest geworden. Kinderen zijn een speciale plaats gaan innemen. Zo is Chanoeka een feest geworden waarop kinderen cadeautjes krijgen. Vaak elke dag van het feest één, telkens iets groter en duurder met de achtste dag natuurlijk hét cadeau.

Ook worden er spelletjes gespeeld, hetgeen verband zou houden met het verbod in huis te werken tijdens het branden van de Chanoeka-lichten. Een typisch Chanoeka-spel is het spel met een speciaal tolletje, 'dreidel' genaamd.
En zoals bij veel joodse feesten horen ook bij Chanoeka bijzondere gerechten. Het zijn gerechten die - helemaal in de lijn van de oorsprong van Chanoeka - gebakken zijn in olie. Echte traditionele Chanoeka-gerechten zijn 'latkes' of 'lewivot' (een soort aardappelkoeken) en 'soevganiot' (met vruchtengelei gevulde oliebollen).
Volgens sommigen is het toeval, anderen zien directe oorzakelijke verbanden. De dagen van het jaarlijkse Chanoeka (25 Kislev tot 2 Tevet) zijn op onze kalender te vinden in de maand december en meer in het bijzonder in de buurt van de jaarlijkse winterzonnewende. Daarmee is het Feest van de Lichten gesitueerd in een jaartijd, waarin op allerlei plekken in de wereld mensen van oudsher verschillende lichtfeesten vieren. Ze geven daarmee allemaal uitdrukking aan hun overtuiging dat de donkere tijden van dat moment niet het definitieve einde van het leven betekenen.
Niet zelden zijn die feesten in hun vormgeving op elkaar van invloed geweest: viering in de beslotenheid van de huiselijke kring, het aansteken van lichtjes, het zingen van liedjes, het geven van cadeautjes, het eten van bijzondere gerechten (oliebollen). Ook aan Chanoeka is dat blijkbaar niet voorbijgegaan. En in sommige joodse kringen kan men dan ook wel eens horen, dat Chanoeka steeds meer gaat lijken op een joods kerstfeest.

Terug naar overzicht